wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Hoofdletters - Verleidingstrucs - Verbogen zelfstandig nw.

Total questions: 72

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Duid de zin(nen) met de juiste spelling aan.

a)

Door de Coronacrisis zijn reizen naar de regio van Lombardije onmogelijk. Dat zei de Federale Overheidsdienst Gezondheid.

b)

Door de coronacrisis zijn reizen naar de regio van Lombardije onmogelijk. Dat zei de Federale Overheidsdienst Gezondheid.

c)

Door de coronacrisis zijn reizen naar de regio van lombardije onmogelijk. Dat zei de Federale Overheidsdienst Gezondheid.

d)

Door de coronacrisis zijn reizen naar de regio van Lombardije onmogelijk. Dat zei de federale overheidsdienst gezondheid

2.

Duid de tekst met de juiste schrijfwijze aan.

a)

Na de Tweede Wereldoorlog verzamelen joden uit de hele wereld zich in deze regio aan de Middellandse Zee. Ze willen een eigen plek om te wonen en daarom stichten ze in 1948 een nieuw land: Israël. Maar op diezelfde plaats hebben Palestijnen ook al huizen en moskeeën gebouwd.

b)

Na de tweede wereldoorlog verzamelen joden uit de hele wereld zich in deze regio aan de Middellandse Zee. Ze willen een eigen plek om te wonen en daarom stichten ze in 1948 een nieuw land: Israël. Maar op diezelfde plaats hebben Palestijnen ook al huizen en moskeeën gebouwd.

c)

Na de Tweede Wereldoorlog verzamelen Joden uit de hele wereld zich in deze regio aan de Middellandse Zee. Ze willen een eigen plek om te wonen en daarom stichten ze in 1948 een nieuw land: Israël. Maar op diezelfde plaats hebben Palestijnen ook al huizen en moskeeën gebouwd.

d)

Na de Tweede Wereldoorlog verzamelen joden uit de hele wereld zich in deze regio aan de Middellandse Zee. Ze willen een eigen plek om te wonen en daarom stichten ze in 1948 een nieuw land: Israël. Maar op diezelfde plaats hebben palestijnen ook al huizen en moskeeën gebouwd.

e)

Na de Tweede Wereldoorlog verzamelen joden uit de hele wereld zich in deze regio aan de Middellandse Zee. Ze willen een eigen plek om te wonen en daarom stichten ze in 1948 een nieuw land: Israël. Maar op diezelfde plaats hebben Palestijnen ook al huizen en Moskeeën gebouwd.

3.

Duid de tekst met de juiste schrijfwijze aan.

a)

De palestijnen hebben deze twee gebieden gekregen: Gaza en de Westelijke Jordaanoever. De hoofdstad Jeruzalem is in twee verdeeld: een deel voor de palestijnen, een deel voor Israël. In de 'heilige' stad Jeruzalem staat ook de Tempelberg, een heilige plaats voor joden en moslims.

De Palestijnen hebben een eigen regering, maar moeten voor veel dingen toelating vragen aan de Israëlische regering.

b)

De Palestijnen hebben deze twee gebieden gekregen: gaza en de westelijke jordaanoever. De hoofdstad Jeruzalem is in twee verdeeld: een deel voor de Palestijnen, een deel voor Israël. In de 'heilige' stad Jeruzalem staat ook de Tempelberg, een heilige plaats voor Joden en Moslims.

De Palestijnen hebben een eigen regering, maar moeten voor veel dingen toelating vragen aan de Israëlische regering.

c)

De Palestijnen hebben deze twee gebieden gekregen: Gaza en de Westelijke Jordaanoever. De hoofdstad Jeruzalem is in twee verdeeld: een deel voor de Palestijnen, een deel voor Israël. In de 'heilige' stad Jeruzalem staat ook de Tempelberg, een heilige plaats voor joden en moslims.

De Palestijnen hebben een eigen regering, maar moeten voor veel dingen toelating vragen aan de Israëlische regering.

d)

De Palestijnen hebben deze twee gebieden gekregen: gaza en de westelijke jordaanoever. De hoofdstad Jeruzalem is in twee verdeeld: een deel voor de Palestijnen, een deel voor Israël. In de 'heilige' stad Jeruzalem staat ook de Tempelberg, een heilige plaats voor Joden en moslims.

De Palestijnen hebben een eigen regering, maar moeten voor veel dingen toelating vragen aan de Israëlische regering.

e)

De Palestijnen hebben deze twee gebieden gekregen: Gaza en de westelijke Jordaanoever. De hoofdstad Jeruzalem is in twee verdeeld: een deel voor de Palestijnen, een deel voor Israël. In de 'heilige' stad Jeruzalem staat ook de tempelberg, een heilige plaats voor Jjoden en moslims.

De Palestijnen hebben een eigen regering, maar moeten voor veel dingen toelating vragen aan de Israëlische regering.

4.

Duid de tekst met de juiste schrijfwijze aan.

a)

Socialisme is het tegenovergestelde van Kapitalisme, volgens sommigen van Liberalisme.De Kapitalisten zorgen voor de oneerlijkheid volgens de Communisten, omdat ze zelf niet of weinig werken, maar de arbeiders laten werken terwijl de Kapitalisten veel meer verdienen.

b)

Socialisme is het tegenovergestelde van kapitalisme, volgens sommigen van liberalisme.De kapitalisten zorgen voor de oneerlijkheid volgens de Communisten, omdat ze zelf niet of weinig werken, maar de arbeiders laten werken terwijl de Kapitalisten veel meer verdienen.

c)

Socialisme is het tegenovergestelde van kapitalisme, volgens sommigen van liberalisme.De kapitalisten zorgen voor de oneerlijkheid volgens de communisten, omdat ze zelf niet of weinig werken, maar de arbeiders laten werken terwijl de kapitalisten veel meer verdienen.

5.

Duid de wetenschappelijke naam van het coronavirus aan.

a)

COVID-19

b)

covid-19

c)

SARS

d)

sars

6.

Duid de correct geschreven historische periodes aan.

a)

Middeleeuwen

b)

Middelleeuwen

c)

middeleeuwen

d)

Nieuwe Tijd

e)

nieuwe tijd

7.

Luister en noteer de correcte schrijfwijze.

a)

T-Shirt

b)

T-shirt

c)

Tshirt

d)

tshirt

8.

Het rode kruis voerde actie aan de eiffeltoren.

a)

Het Rode kruis voerde actie aan de eiffeltoren.

b)

Het Rode Kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

c)

Het rode kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

d)

Het rode kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

9.

Hassan is een moslim, hij viert kerstmis niet.

a)

Hassan is een Moslim, hij viert kerstmis niet.

b)

Hassan is een moslim, hij viert kerstmis niet.

c)

Hassan is een moslim, hij viert Kerstmis niet.

d)

Hassan is een Moslim, hij viert Kerstmis niet.

10.

Gisteren zag ik een rode mercedes in de melgesdreef.

a)

Gisteren zag ik een rode Mercedes in de Melgesdreef.

b)

Gisteren zag ik een rode mercedes in de Melgesdreef.

c)

Gisteren zag ik een rode Mercedes in de melgesdreef.

11.

In de middeleeuwen geloofde bijna iedereen in god.

a)

In de Middeleeuwen geloofde bijna iedereen in god.

b)

In de middeleeuwen geloofde bijna iedereen in God.

c)

In de Middeleeuwen geloofde bijna iedereen in God.

12.

Mijn lievelingsboek is haar naam was sarah

a)

Mijn lievelingsboek is Haar naam was sarah.

b)

Mijn lievelingsboek is Haar naam was Sarah.

c)

Mijn lievelingsboek is haar naam was Sarah.

13.

Hij stuurde haar een valentijnskaart met pasen!

a)

Hij stuurde haar een Valentijnskaart met Pasen!

b)

Hij stuurde haar een valentijnskaart met pasen!

c)

Hij stuurde haar een valentijnskaart met Pasen!

d)

Hij stuurde haar een Valentijnskaart met Pasen!

14.

Dit artikel stond in het laatste nieuws.

a)

Dit artikel stond in Het Laatste Nieuws.

b)

Dit artikel stond in Het laatste nieuws.

c)

Dit artikel stond in Het Laatste nieuws.

d)

Dit artikel stond in het laatste nieuws.

15.

Wat is het verkleinwoord van film?

a)

filmetje

b)

kleine film

c)

filmbje

d)

filmpje

16.

Wat is het verkleinwoord van woning?

a)

woninkje

b)

woningkje

c)

woningetje

d)

kleine woning

17.

Wat is het verkleinwoord van oma?

a)

omatje

b)

omaatje

c)

omaje

d)

omaaje

18.

Wat is het verkleinwoord van kauwgom?

a)

kauwgompje

b)

kauwgommetje

c)

kauwgomtje

d)

kauwgomje

19.

Wat is het verkleinwoord van lila?

a)

lilatje

b)

lilaatje

c)

lila'tje

20.

Wat is het verkleinwoord van café?

a)

caféetje

b)

cafétje

c)

cafeetje

d)

café'tje

21.

Wat is het verkleinwoord van baby?

a)

babytje

b)

baby'tje

c)

babietje

22.

Wat is het verkleinwoord van cd?

a)

cdtje

b)

cd'je

c)

cd'tje

d)

cdje

23.

Wat is het verkleinwoord van taxi?

a)

taxietje

b)

taxie'tje

c)

taxitje

d)

taxi'tje

24.

Wat is het verkleinwoord van centrum?

a)

centrumje

b)

centrumpje

c)

centrumkje

d)

centrummetje

25.

Woorden eindigend op -i, worden ... als het wordt verkleind.

a)

-ie

b)

-ie'

c)

-i

d)

-i'

26.

Welk verkleinwoord is FOUT?

a)

pannetje

b)

druifje

c)

appeltje

d)

pizzatje

27.

Welk verkleinwoord is FOUT?

a)

koffietje

b)

theetje

c)

gebakje

d)

schotelje

28.

Welk verkleinwoord is FOUT?

a)

puppietje

b)

puppy'tje

c)

skihutje

d)

koninkje

29.
Wat is het meervoud van baby
a)
babies
b)
babys
c)
baby's
30.
Wat is meervoud van agenda
a)
agendas
b)
agenda'n
c)
agenda's
31.

wat is het meervoud van kind

(a)  

32.

Wat is het meervoud van bacterie?

a)

bacteries

b)

bacterieën

c)

bacterieeën

d)

bacteriën

33.

Wat is het meervoud van museum?

a)

musea

b)

museums

c)

museumen

34.

Wat is het meervoud van financie?

a)

financies

b)

financiën

c)

financieën

35.

Wat is het meervoud van kopie?

a)

kopieën

b)

kopies

c)

kopiën

d)

kopieeën

36.

Wat is het meervoud van model?

a)

models

b)

modelen

c)

modellen

37.

Wat is het meervoud van taxi?

a)

taxiën

b)

taxis

c)

taxi's

38.

Wat is het meervoud van historicus?

a)

historiciën

b)

historicussen

c)

histirici

d)

historici

39.

Wat is het meervoud van horloge?

a)

horloges

b)

horlogen

c)

horlogens

40.

Wat is het meervoud van zee?

a)

zees

b)

zeeën

c)

zeën

41.

Wat is het meervoud van drie?

a)

drieeën

b)

drieën

c)

dries

42.

Wat is het meervoud van academie?

a)

academies

b)

academieën

c)

academieeën

d)

acedamies

43.

Wat is het meervoud van logé?

a)

Logés

b)

Logees

c)

Logé’s

44.

Wat is het meervoud van iPad?

a)

iPads

b)

iPad’s

45.

Wat is het meervoud van auto?

a)

Auto’s

b)

Autoos

c)

Autos

46.

Wat is het meervoud van ski?

a)

Skies

b)

Ski’s

c)

Skis

47.

Wat is het meervoud van menu?

a)

Menu’s

b)

Menuus

c)

Menus

48.

Wat is het meervoud van dvd?

a)

Dvds

b)

Dvd’s

49.

Wat is het meervoud van cadeau?

a)

Cadeau’s

b)

Cadeaus

50.

Wat is het meervoud van cavia?

a)

Cavia’s

b)

Cavias

c)

Caviaas

51.

Het meervoud van 'mysterie' is:

a)

mysteriën

b)

mysterieën

52.

Het meervoud van 'bikini' is:

a)

bikinis

b)

bikini's

53.

Wat is het meervoud van: salto?

a)

saltos

b)

salto's

c)

saltoen

d)

saltoën

54.

Wat is het meervoud van: prikkel?

a)

prikkelen

b)

prikkel's

c)

prikkels

d)

prikkeles

55.
Dat is ... tas. Welke vorm is correct?
a)
Fiens
b)
Fien's
56.
... hond is gisteren weggelopen. Welke vorm kan je hier invullen?
a)
Mieke's
b)
Miekes 
57.
Papa vergeet ieder jaar ... verjaardag. Welke vorm is correct?
a)
mamas
b)
mamaas
c)
mama's
58.
... humor valt niet bij iedereen in de smaak. Welke vorm is hier correct?
a)
Dries
b)
Dries's
c)
Dries'
d)
Drieses
59.
Dat is ... lievelingsspeeltje. Welke vorm kan je hier invullen?
a)
Max's
b)
Maxes
c)
Max'
d)
Maxs
60.
... nieuwe vriend heet Tom. Welke vorm kan je hier invullen?
a)
Chelseys
b)
Chelsey's
61.

Ik voel me zo fris als een hoentje

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

62.

Het dak van de veranda jammerde en kreunde in de harde wind.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

63.

Rond de Kerst heeft mijn zusje altijd een gat in haar hand.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

64.

In onze winkel verkopen wij alleen het neusje van de zalm.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

65.

De angst kneep haar keel dicht.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

66.

Eindelijk werd die heks uit de klas gestuurd.

a)

vergelijking

b)

metafoor

c)

personificatie

67.
Dat schaap heeft zich laten beetnemen.
a)
personificatie
b)
metafoor
c)
vergelijking zonder als
d)
vergelijking met van
68.

Welke taaltechniek wordt gebruikt in de volgende slogan?

Bauknecht. Een koelkast die het milieu niet in de kou laat staan.

a)

Woordspeling

b)

Metafoor

c)

Eindrijm

d)

Tegenstelling

69.

Welke taaltechniek wordt gebruikt in de volgende slogan?

PVDA. Fenomenaal sociaal.

a)

Alliteratie

b)

Tegenstelling

c)

Eindrijm

d)

Metafoor

70.

Welke twee taaltechnieken worden gebruikt in de volgende slogan? Dash. Wast witter dan wit.

a)

Personificatie

b)

Alliteratie

c)

Vergelijking

d)

Overdrijving

71.

Welke taaltechniek wordt gebruikt in de volgende slogan? Jägermeister. Laat het beest in je los.

a)

Vergelijking

b)

Metafoor

c)

Woordspeling

d)

Personificatie

72.

Wat is product placement?

a)

Aan het begin van de soap, het programma of de speelfilm is er reclame voor een product of merk.

b)

Aan het einde van een soap is er verborgen reclame voor een product of merk.

c)

In het programma, de soap of speelfilm is er vrij verborgen reclame voor een product of merk.

d)

In de verhaallijn van een programma is er duidelijke reclame voor een merk of product.