wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

HWW - ZWW - ZN - BN - VZ - TW - PERS. VNW

Total questions: 21

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Vink het(de) hulpwerkwoord(en) aan.

Hij had beter zijn best moeten doen.

a)

had

b)

zijn

c)

best

d)

moeten

e)

doen

2.

Benoem het zelfstandig werkwoord.

Hij had beter zijn best moeten doen.

(a)  

3.

Benoem het (de) zelfstandige naamwoord(en).

Ze hebben de game vaak gespeeld.

a)

Ze

b)

hebben

c)

game

d)

vaak

e)

gespeeld

4.

Benoem het (de) hulpwerkwoord(en).

Ze hebben de game vaak gespeeld.

a)

Ze

b)

hebben

c)

game

d)

vaak

e)

gespeeld

5.

Benoem het zelfstandig werkwoord.

Ze hebben de game vaak gespeeld.

(a)  

6.

Vink het (de) zelfstandige naamwoord(en) aan.

Veel jongeren hebben een bijbaan als vakkenvuller bij de Jumbo.

a)

jongeren

b)

hebben

c)

bijbaan

d)

vakkenvuller

e)

Jumbo

7.

Benoem het rode woord.

Dit hadden jullie kunnen weten.

a)

voorzetsel

b)

zelfstandig naamwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

8.

Benoem het rode woord.

Zij heeft het boek ingeleverd bij de bibliotheek.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

9.

Benoem het rode woord.

Martijn levert het boek in bij de bibliotheek.

a)

lidwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

10.

Vink de zelfstandige naamwoorden aan.

Inge heeft gewinkeld bij de H&M in Eindhoven.

a)

Inge

b)

gewinkeld

c)

H&M

d)

Eindhoven

11.

Benoem de voorzetsels.

Ricardo rijdt samen met zijn oom op de fiets naar de sportschool in Veghel.

a)

zijn - de - de

b)

Ricardo - oom - fiets - sportschool - Veghel

c)

met - op - naar - in

12.

Benoem de bijvoeglijke naamwoorden.

De verhitte leerlingen hadden een heftige discussie gevoerd over de afgelaste wedstrijd.

a)

verhitte

b)

heftige

c)

discussie

d)

afgelaste

e)

wedstrijd

13.

Benoem de drie bijvoeglijke naamwoorden.

De trotse docent wil de hardwerkende leerlingen uit deze gemotiveerde klas trakteren.

a)

de- de - deze

b)

docent - leerlingen - leerlingen

c)

wil trakteren

d)

trotse - hardwerkende - gemotiveerde

14.

Benoem de het rode woord.

Vader had het versleten jasje van zijn zoon weggegooid.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

zelfstandig werkwoord

d)

bijvoeglijk naamwoord

15.

Benoem de het rode woord.

Het verloren portemonneetje bleek gewoon onder in de schooltas te zitten.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

hulpwerkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

16.

Benoem het telwoord.

De voorlaatste toets is slecht gemaakt.

a)

De

b)

voorlaatste

c)

toets

d)

slecht

e)

gemaakt

17.

Benoem de telwoorden.

Hij kwam als eerste binnen tijdens het zesde lesuur.

a)

kwam

b)

eerste

c)

binnen

d)

zesde

e)

lesuur

18.

Benoem de rode woorden.

De moeder van Karin heeft bij café 'Den Herd' een feest georganiseerd voor haar oma die in Spanje woont.

a)

lidwoorden

b)

telwoorden

c)

voorzetsels

19.

Benoem de drie persoonlijke voornaamwoorden (in volgorde waarin ze voorkomen in de zin)

Ik heb haar het boek van hem cadeau gedaan.

(a)  

20.

Wat vind je van deze quiz?

a)

Makkelijk. Ik begrijp het en heb alles goed.

b)

Het is te doen, maar ik moet nog wel wat oefenen.

c)

Moeilijk. Ik moet echt gaan oefenen.

21.

Wat heb je iedere week tijdens de Taalles gedaan de afgelopen maanden? Graag eerlijk antwoord en met een beetje goede zinnen.

4 lines