Font size
WorksheetsHWW - ZWW - ZN - BN - VZ - TW - PERS. VNW
Total questions: 21
Worksheet time: 10mins
Vink het(de) hulpwerkwoord(en) aan.
Hij had beter zijn best moeten doen.
had
zijn
best
moeten
doen
Benoem het zelfstandig werkwoord.
Hij had beter zijn best moeten doen.
(a)
Benoem het (de) zelfstandige naamwoord(en).
Ze hebben de game vaak gespeeld.
Ze
hebben
game
vaak
gespeeld
Benoem het (de) hulpwerkwoord(en).
Ze hebben de game vaak gespeeld.
Ze
hebben
game
vaak
gespeeld
Benoem het zelfstandig werkwoord.
Ze hebben de game vaak gespeeld.
(a)
Vink het (de) zelfstandige naamwoord(en) aan.
Veel jongeren hebben een bijbaan als vakkenvuller bij de Jumbo.
jongeren
hebben
bijbaan
vakkenvuller
Jumbo
Benoem het rode woord.
Dit hadden jullie kunnen weten.
voorzetsel
zelfstandig naamwoord
persoonlijk voornaamwoord
bijvoeglijk naamwoord
Benoem het rode woord.
Zij heeft het boek ingeleverd bij de bibliotheek.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
hulpwerkwoord
zelfstandig naamwoord
Benoem het rode woord.
Martijn levert het boek in bij de bibliotheek.
lidwoord
persoonlijk voornaamwoord
hulpwerkwoord
zelfstandig naamwoord
Vink de zelfstandige naamwoorden aan.
Inge heeft gewinkeld bij de H&M in Eindhoven.
Inge
gewinkeld
H&M
Eindhoven
Benoem de voorzetsels.
Ricardo rijdt samen met zijn oom op de fiets naar de sportschool in Veghel.
zijn - de - de
Ricardo - oom - fiets - sportschool - Veghel
met - op - naar - in
Benoem de bijvoeglijke naamwoorden.
De verhitte leerlingen hadden een heftige discussie gevoerd over de afgelaste wedstrijd.
verhitte
heftige
discussie
afgelaste
wedstrijd
Benoem de drie bijvoeglijke naamwoorden.
De trotse docent wil de hardwerkende leerlingen uit deze gemotiveerde klas trakteren.
de- de - deze
docent - leerlingen - leerlingen
wil trakteren
trotse - hardwerkende - gemotiveerde
Benoem de het rode woord.
Vader had het versleten jasje van zijn zoon weggegooid.
hulpwerkwoord
zelfstandig naamwoord
zelfstandig werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Benoem de het rode woord.
Het verloren portemonneetje bleek gewoon onder in de schooltas te zitten.
bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig werkwoord
hulpwerkwoord
zelfstandig naamwoord
Benoem het telwoord.
De voorlaatste toets is slecht gemaakt.
De
voorlaatste
toets
slecht
gemaakt
Benoem de telwoorden.
Hij kwam als eerste binnen tijdens het zesde lesuur.
kwam
eerste
binnen
zesde
lesuur
Benoem de rode woorden.
De moeder van Karin heeft bij café 'Den Herd' een feest georganiseerd voor haar oma die in Spanje woont.
lidwoorden
telwoorden
voorzetsels
Benoem de drie persoonlijke voornaamwoorden (in volgorde waarin ze voorkomen in de zin)
Ik heb haar het boek van hem cadeau gedaan.
(a)
Wat vind je van deze quiz?
Makkelijk. Ik begrijp het en heb alles goed.
Het is te doen, maar ik moet nog wel wat oefenen.
Moeilijk. Ik moet echt gaan oefenen.
Wat heb je iedere week tijdens de Taalles gedaan de afgelopen maanden? Graag eerlijk antwoord en met een beetje goede zinnen.
