wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

De aardrijkskunde game! 1e klas

Total questions: 55

Worksheet time: 28mins

Name
Class
Date
1.

welke vorm heeft de aarde?

a)

vierkant

b)

rond

c)

driehoekig

2.

Wat staat er in een legenda?

a)

Je kunt zien wat de symbolen op de kaart betekenen

b)

In de legenda kun je plaatsnamen opzoeken

c)

De legenda is de titel van de kaart

3.

Wat wordt er afgebeeld op een kaart met een mondiale schaal?

a)

Een land

b)

heel de wereld

c)

een gebied/provincie

4.

Welke van deze woorden past niet bij het begrip weer?

a)

neerslag

b)

wind

c)

klimaat

d)

temeperatuur

5.

Wat is een goede omschrijving van het begrip klimaat?

a)

Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over een lange tijd

b)

Het percentage CO2 in de lucht

6.

wat is de dichtstbijzijnde ster ten opzichte van de aarde?

a)

de maan

b)

mars

c)

de zon

7.

Welke luchtstreek bevindt zich het dichtst bij de evenaar?

a)

de tropen

b)

de gematigde zone

c)

de poolstreken

8.

Hoe heet de regen die ontstaat doordat er lucht tegen een berg omhoog wordt geblazen?

a)

frontale regen

b)

stijgingsregen

c)

stuwingsregen

9.

wat kun je aflezen in een klimaatdiagram?

a)

de wind en temperatuur

b)

de wind en neerslag

c)

de temperatuur en neerslag

10.

wat is geen vorm van neerslag

a)

mist

b)

regen

c)

hagel

d)

sneeuw

11.

kan een orkaan ontstaan boven land?

a)

ja

b)

nee

12.

kan een orkaan ontstaan in de buurt van Nederland?

a)

ja

b)

nee

13.

hoe worden barsten of scheuren tussen platen ook wel genoemd?

a)

kloven

b)

breuken

c)

vulkanen

14.

Wat komt er uit een berg tijdens een vulkaanuitbarsting?

a)

heet water

b)

aardolie

c)

lava

15.

wat komt er uit een geiser

a)

heet water

b)

aardolie

c)

lava

16.

welke antwoorden zijn waar?

a)

een aardbeving kan veroorzaakt worden door 2 platen die tegen elkaar botsen

b)

een lawine kan een aardbeving veroorzaken

c)

een aardbeving kan een lawine veroorzaken

d)

een aardbeving kan ontstaan door klimaatveranderingen

17.

hoe heet een aardbeving in de oceaan?

a)

een waterbeving

b)

een zeebeving

c)

een oceaanbeving

18.

hoe wordt de ijstijd ook wel genoemd?

a)

een interglaciaal

b)

een glaciaal

19.

wat is een gletsjer?

a)

een dik pak ijs wat langzaam van een berg afschuift

b)

een berg waar heel het jaar door sneeuw op licht

20.

waar eindigt een rivier?

a)

in de zee

b)

in een meer

c)

in een grot

21.

op welke plek begint een rivier?

a)

in een grote stad

b)

bij de zee

c)

op een berg

22.

wat is relief?

a)

veel verschillende planten bij elkaar

b)

verschil in hoogte

c)

een gebied met veel rivieren

23.

op welke plek regent het extreem veel?

a)

in de tropen

b)

in de woestijn

c)

in de savanne

24.

wat is een kenmerk van de woestijn

a)

er zijn lage temperaturen

b)

er groeien geen bomen

c)

er valt veel neerslag

25.

in welke landschapszone bevindt Nederland zich?

a)

de gematigde zone

b)

de tropen

c)

de woestijn

26.

bij welke temperatuur licht de boomgrens?

a)

een gemiddelde temperatuur van de 15 graden

b)

een gemiddelde temperatuur van 12 graden

c)

een gemiddelde temperatuur van 10 graden

27.

wat gebeurt er bij ontbossing?

a)

er worden nieuwe bomen geplant

b)

er worden bomen gekapt

c)

er worden bomen kapot gemaakt door bevers

28.

hoe heet een rivier die uit gletsjerwater en uit regenwater bestaat?

a)

een bergrivier

b)

een bodemrivier

c)

een gemengde rivier

29.

hoe heet de bovenkant van het grondwater?

a)

aquifer

b)

maaiveld

c)

grondwaterpeil

30.

welke rivier stroomt door Nederland?

a)

de maas

b)

de theems

c)

de seine

31.

welke stof zorgt voor een versterkt broeikaseffect?

a)

H2O

b)

O2

c)

CO2

32.

waar gaat demografie over?

a)

over de bevolking

b)

over de cultuur

c)

over de politiek

33.

hoe heet de bevolkingsgroei/afname door geboorte en sterfte?

a)

sociale bevolkingsgroei

b)

natuurlijke bevolkingsgroei

34.

waaraan kun je een volk altijd herkennen?

a)

een volk woont in een bepaalt land

b)

in een volk heeft iedereen de zelfde cultuur

c)

in een volk heeft iedereen de zelfde mening

35.

hoeveel verschillende cultuurgebieden zijn er op de wereld?

a)

6

b)

7

c)

8

d)

9

36.

waar is de bevolkingsdichtheid het hoogst?

a)

in een dorp

b)

in een stad

37.

hoe noem je het als meerdere stadsgewesten aan elkaar zijn gegroeid?

a)

agglomeratie

b)

megapolis

c)

stedelijk gebied

38.

wat is een ander woord voor verstedelijking?

a)

urbanisatie

b)

suburbanisatie

c)

re-urbanisatie

39.

waarom verhuisde er in de 19e eeuw veel mensen naar de stad

a)

omdat er veel werk was, want er kwamen veel fabrieken in steden

b)

omdat er veel leuke dingen in de stad kwamen zoals bioscopen

c)

omdat het in dorpen onveilig werd

40.

welk deel van de stad is het oudst

a)

het binnenste deel

b)

het buitenste deel

41.

hoe heet een landschap waar mensen in hebben gebouwd?

a)

een bebouwd landschap

b)

een menselijk landschap

c)

een ingericht landschap

42.

welk begrip hoort bij de betekenis: iets nuttigs waarvan je gebruik kunt maken?

a)

voorziening

b)

consumptie

c)

industrie

43.

vanaf hoeveel uur in het buitenland ben je een toerist?

a)

24 uur

b)

48 uur

c)

72 uur

44.

wat ben je als je voor je werk naar het buitenland gaat?

a)

een terrorist

b)

een toerist

c)

een werktoerist

45.

hoe heten alle bedrijven bij elkaar die te maken hebben met toeristen?

a)

toeristenbranche

b)

toeristesector

c)

toeristenindustrie

46.

welke betekenis hoort bij het begrip globalisering?

a)

Het doorgaande proces van internationale uitwisseling van mensen, goederen, geld & informatie.

b)

het doorgaande proces van migratie rondom steden

47.

wat wordt er bedoeld met de absolute afstand?

a)

de afstand uitgedrukt in kilometers

b)

de afstand uitgedrukt in geld, moeite & tijd

48.

wat wordt er bedoeld met de relatieve afstand?

a)

de afstand uitgedrukt in kilometers

b)

de afstand uitgedrukt in geld, moeite & tijd

49.

hoe heet het als de afstand een kleinere rol gaat spelen doordat er betere en goedkopere vliegtuigen komen?

a)

schaalvergroting

b)

globalisering

c)

urbanisatie

50.

waarom wordt fruit eerder met het vliegtuig dan met een boot vervoerd?

(a)  

51.

wat is het verschil tussen massagoederen en stukgoederen

(a)  

52.

is een ontwikkelingsland arm of rijk?

a)

arm

b)

rijk

53.

waar staat de afkorting BNP voor

(a)  

54.

waar staat de afkorting EU voor?

(a)  

55.

wanneer is de EU opgericht?

a)

na de 2e wereld oorlog

b)

na de 1e wereldoorlog

c)

na de koude oorlog