wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Steden en Staten

Total questions: 58

Worksheet time: 29mins

Name
Class
Date
1.

Begrip: Mensen uit de rijke burgerij onder leiding van de schout die zorgden voor de rechtspraak

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

2.

Begrip: Een land met duidelijke grenzen waarin overal dezelfde wetten en regels gelden

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

3.

Begrip: Het voor landbouw bruikbaar maken van bossen en moerassen

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

4.

Begrip: Een ambachtsman die in dienst was van een meester en na zo'n 7 jaar opleiding klaar was om een ambacht zelfstandig uit te oefenen

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

5.

begrip: Bestuur vanuit één plaats; overal in het land gelden dezelfde wetten en belastingen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

6.

begrip: Vereniging van samenwerkende Noordwest-Europese handelssteden, die in de 14e en 15e eeuw op zijn machtigst waren.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

7.

In de late middeleeuwen konden handelaren dankzij de uitvinding van de ..... grote hoeveelheden over de zee vervoeren.

a)

kogge

b)

halsjuk

c)

ijzeren ploeg

d)

Hanze

8.

De landbouwopbrengsten stegen door het gebruik van het ...., waardoor paarden en ossen meer konden trekken.

a)

kogge

b)

halsjuk

c)

ijzeren ploeg

d)

Hanze

9.

Dankzij de uitvinding van de .... konden boeren het land nog beter bewerken.

a)

kogge

b)

halsjuk

c)

ijzeren ploeg

d)

Hanze

10.

Sommige steden verenigden zich in de ...., een handelsverbond van Noordwest-Europese steden.

a)

kogge

b)

halsjuk

c)

ijzeren ploeg

d)

Hanze

11.

Eerst ..., dan ..., vervolgens ... en ten slotte ...

a)

Door de zwarte dood stierf bijna een derde van de Europese bevolking.

b)

Er onstaan weer steden in Europa

c)

De hertogen van Boergondië zijn baas in de gewesten van de Nederlanden.

d)

De paus riep ze tot de de Eerste kruistoch.

12.

Wat was geen stadsrecht?

a)

Een stadsmuur bouwen

b)

Zelf munten slaan

c)

Zelf de schout benoemen

d)

Zelf de stad besturen

13.

Als een kostwinner van een gezin overleed waren er twee instanties wie het gezin konden ondersteunen, namelijk de kerk en ...

a)

koning

b)

heer

c)

gilde

d)

vakbond

14.

Welke stad hoort erbij: Belangrijke Hanzestad.

a)

Constantinopel

b)

Jeruzalem

c)

Lübeck

d)

Venetië

15.

Het gildesysteem was erop gericht zoveel mogelijk leerlingen op te leiden tot meester.

a)

Waar

b)

Niet waar

16.

Boeren verenigden zich .... in gilden

a)

Wel

b)

Niet

17.

Koningen konden ook hun macht vergroten door ... te benomen.

a)

ridders

b)

ambtenaren

18.

Veel koningen in de late middeleeuwen probeerden een ... bestuur in te richten

a)

centraal

b)

gewestelijk

19.

waarom begonnen de christenen met de kruistochten?

a)

de moslims hadden de heilige grafkerk gesloopt

b)

de moslims pesten de christenen weg

c)

de moslims waren de oorlog begonnen

20.

ketters zijn

a)

mensen die van hun geloof houden

b)

mensen die kritiek hebben op de katholieke kerk

c)

mensen die kritiek hebben op de nonnen.

21.

gezel

a)

een leerling van een hanze

b)

een leerling van een meester in een gilde, die tot ambachtsman wordt opgeleid.

22.

Wat is een handige plek voor een stad?

a)

1. Dit is een rustige plek waar je geen last hebt van het kasteel, de weg en de rivier.

b)

2. Dit is vlakbij het kasteel. Dat is handig als je bescherming nodig hebt.

c)

3. Dit is vlakbij de weg, de rivier en het kasteel. Mensen kunnen gemakkelijk naar de stad komen.

23.

Wat gebeurde er volgens de mensen in de tijd van steden en staten na de dood?

a)

Dan ging je naar het paradijs.

b)

Dan werd je begraven en verder gebeurde er niks.

c)

Dan ging je naar de hemel of naar de hel.

24.

Waarom waren geestelijken in de tijd van steden en staten zo belangrijk voor gelovige mensen??

a)

Zij waren rijk en lieten grote kerken in steden en dorpen bouwen.

b)

Zij hielpen de mensen om zo te leven zodat ze naar de hemel gingen.

c)

Zij hielpen gelovige mensen met het besturen van het land.

25.

Deze mensen hebben de pest. Dat was een gevaarlijke besmettelijke ziekte. Waarom werden veel mensen ziek in de steden van de middeleeuwen?

a)

Veel mensen gingen na het luiden van de avondklok toch naar buiten. En ’s nachts kon je makkelijker ziek worden.

b)

Mensen woonden dicht bij elkaar en wasten zich niet vaak. Ook liepen dieren rond die ziektes meedroegen.

c)

Een besmettelijke ziekte was een straf van God. Als je iets fout had gedaan kreeg je bijvoorbeeld de pest.

26.

Welke zin over gilden is waar?

a)

Ambachtslieden in een gilde moesten lang leren voordat ze meester werden..

b)

Gilden moesten met elkaar samenwerken van de heer.

c)

In een gilde zaten mensen met allerlei verschillende ambachten.

27.

Waar ontstonden vooral steden? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk

a)

Bij een kruispunt

b)

In de bergen

c)

Bij een rivier

d)

Bij een bos

e)

Bij een burcht (kasteel)

28.

Waarover maakten gilden afspraken? (er zijn meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Prijs

b)

Huwelijk

c)

Werktijden

d)

Kwaliteit

e)

Dagjes uit

29.

Wat was een gilde?

a)

Een club van vooraanstaande mensen

b)

Een beroepsvereniging (soort vakbond)

c)

Het bestuur van een stad

d)

De verzekering van mensen in de middeleeuwen

30.

Wie gaf een stad stadsrechten?

a)

Koning/landheer

b)

de Paus

c)

De bisschop

d)

de rentmeester

31.

Noem drie voorbeelden van stadsrechten

a)

Een stadhuis bouwen

b)

De stad besturen

c)

Rechtspreken

d)

Stadsmuren bouwen

e)

Een weg aanleggen

32.

Wat is een schandpaal?

a)
b)
c)
d)
33.

Welke functie uit het middeleeuwse stadsbestuur bestaat nu nog?

a)

Schepenen

b)

Wethouder

c)

Burgermeester

d)

Schout

34.

wat betekende een centraal bestuur

a)

bestuur vanuit 1 plaats: overal gelden dezelfde wetten en regels.

b)

dat er een huurleger aankwam

c)

dat er vanuit verschillende plekken bestuurd wordt.

35.

Koning Harold werd verslagen door de Hertog van Normandië bij de slag bij Hastings

a)

Juist

b)

Onjuist

36.

Welke drie partijen streden aan het einde van de Middeleeuwen om de macht

a)

Geestelijkheid, adel en steden

b)

Koning, adel en steden

c)

Geestelijkheid, koning en steden

d)

Koning, adel en geestelijkheid

37.

Waarom werd de adellijke heer van de steden vaak gedwongen om privileges te geven?

a)

Het waren vooral de steden die voor zijn inkomsten (belasting) moesten zorgen.

b)

Het waren vooral de steden die voor zijn bescherming (leger) moesten zorgen.

c)

Het waren vooral de steden die hem steunden in zijn machtsstrijd tegen de koning.

d)

Het waren vooral de steden die mensen leverden die konden lezen en schrijven. Die had adellijke heer nodig voor het opstellen van wetten en regels.

38.

Wat is een tegenstelling?

a)

Centralisatie - particularisme

b)

Landvoogd - stadhouder

c)

Geheime raad - Raad van State

d)

Centralisatie - uniformering

39.

Welk kenmerkend aspect past NIET bij deze paragraaf?

a)

De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden

b)

Het begin van staatsvorming en centralisatie

c)

Het begin van de Europese expansie over zee

40.

Wat kreeg de heer terug voor het verlenen van stadsrechten?

a)

geld in de vorm van belasting

b)

producten zoals graan

c)

volledige en onbeperkte trouw

d)

jaarlijkse feesten

41.

In de tijd van steden en staten ontstonden de eerste parlementen.

a)

waar

b)

niet waar

42.

Wat is geen kenmerk van staatsvorming en centralisatie?

a)

centraal bestuur vanuit hoofdstad

b)

meer macht voor de vorst

c)

zelfde regels en taal voor gehele land

d)

leger onder controle vorst

e)

meer macht voor de adel

43.

Welk begrip past bij de volgende omschrijving.

Het streven van vorsten hun macht te vergroten door de verschillende delen van hun rijk vanuit één plaats te besturen.

(a)  

44.

Uit hoeveel standen bestond de Middeleeuwse maatschappij?

a)

4

b)

3

c)

2

d)

1

45.

Begrip: Een land met duidelijke grenzen waarin overal dezelfde wetten en regels gelden

a)

schepenen

b)

staat

c)

ontginnen

d)

gezel

46.

begrip: Een reis naar een heilige plaats om te gaan bidden.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

47.

begrip: Een poging van christelijke legers (van 1096 tot 1270) om Jeruzalem in Palestina in bezit te krijgen.

a)

bedevaart

b)

centraal bestuur

c)

Hanze

d)

kruistocht

48.

Waarom gingen ridders op kruistocht?

a)

Het redden van heiligdommen

b)

Vergeving van hun zonden

c)

Voor het avontuur

d)

Hoop op beloning

49.

Koningen konden ook hun macht vergroten door ... te benomen.

a)

ridders

b)

ambtenaren

50.

Wat wordt bedoeld met standenmaatschappij?

a)

De stand van de samenleving

b)

Een samenleving met indeling in standen (lagen)

c)

Een samenleving met maatschappelijke standen

d)

Standen in de samenleving

51.

Welke groep hoort bij de tweede stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

52.

Welke groep hoort bij de eerste stand?

a)

De Adel

b)

De Boeren

c)

De Burgers

d)

De Geestelijken

53.

Welke uitspraak over de derde stand is juist?

a)

De derde stand bestaat eerst uit burgers, daarna ook boeren

b)

De derde stand bestaat eerst uit boeren, daarna ook burgers

c)

De derde stand bestaat voor het meest uit burgers

d)

De derde stand heeft het minste leden van alle standen

54.
Wat is de juiste volgorde van standen:
a)
1. Adel, 2. Geestelijken, 3. Boeren
b)
1. Adel, 2. Boeren, 3. Geestelijken
c)
1. Geestelijken, 2. Boeren, 3. Adel
d)
1. Geestelijken, 2. Adel, 3. Boeren
55.
Wat is geen titel van de adel:
a)
Hertog
b)
Baron
c)
Graaf
d)
Priester
56.

Welk geloof hadden alle mensen in de middeleeuwen in West-Europa?

a)

Protestant (Christendom)

b)

Islam

c)

Jodendom

d)

Katholiek (christendom)

57.

Wat beloofde de paus aan de kruisvaarders wanneer ze deelnamen aan de kruistocht?

a)

de Kerk zich zal buigen over hun vrouwen en kinderen

b)

hun zonden worden kwijtgescholden

c)

hun plaats in de hemel ligt vast

d)

eeuwig leven op aarde

58.

Welke befaamde stad zie je op de volgende afbeelding?

a)

Jeruzalem

b)

Istanbul

c)

Riyad

d)

Koeweit