wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 oefenen proefwerkweek

Total questions: 27

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.
Iets waar je zintuigen op reageren heet een ...
a)
Impuls
b)
Seintje
c)
Prikkel
d)
Zenuw
2.
Het centrale zenuw-stelsel bestaat uit:
a)
Zenuwen
b)
Zenuwen en de hersenen
c)
Zenuwen en het ruggenmerg
d)
De hersenen en het ruggenmerg
3.
Bewust worden gebeurt in de spieren.
a)
Juist
b)
Onjuist
4.
Een ander woord voor impuls is ...
a)
Zenuw
b)
Prikkel
c)
Seintje
d)
Reactie
5.

Wanneer wordt je je bewust van je waarneming?

a)

Op het moment dat de prikkel je zintuigen binnenkomt

b)

Als de prikkel wordt omgezet in een impuls

c)

Als de impuls vervoert wordt

d)

De impuls in je hersenen aankomt.

6.

Welke volgorde is de juiste?

a)

Prikkel --> zintuig --> impuls --> zenuw --> hersenen --> impuls --> zenuw

b)

Zintuig --> prikkel --> impuls --> hersenen --> zenuw

c)

Prikkel -> impuls --> zenuw --> hersenen --> zenuw --> impuls

d)

Zintuig --> impuls --> hersenen --> zenuw --> impuls

7.

Welke onderdelen behoren tot het centraal zenuwstelsel

a)

Ruggenmerg

b)

Hersenen

c)

Zenuwen

8.

Aan wat zijn zintuigcellen verbonden?

a)

prikkel

b)

impuls

c)

zenuwen

d)

hersenen

9.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving: Een elektrisch signaal dat wordt afgegeven door zenuwcellen en wordt doorgegeven aan het zenuwstelsel.

a)

Hersenen

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zintuigcellen

10.

Wat is er in het plaatje te zien?

a)

Zintuigcel

b)

Impuls

c)

Prikkel

d)

Zenuw

e)

Deel van de hersenen

11.
Wat is de drempelwaarde?
a)
geluid
b)
De maximale sterkte van een prikkel
c)
Impuls
d)
De minimale sterkte van een prikkel
12.
Het centraal zenuwstelsel bestaat uit:
a)
Hersenen, Ruggenmerg en Zenuwen
b)
Hersenen 
c)
Hersenen & Ruggenmerg
d)
Hersenen & Zzenuwen
13.
Wat is de juiste weg van een impuls?
a)
Zintuig, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, bewegingszenuwcel, beweging
b)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, hersenen
c)
Zintuig, impuls, bewegingszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, gevoelszenuwcel, gevoel
d)
Zintuig, impuls, gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, impuls, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spier, beweging
14.
In de kleine hersenen:
a)
vindt bewustwording plaats
b)
worden onbewuste levensprocessen geregeld
c)
regelen reflexen
d)
zorgt voor de coördinatie van bewegingen en je evenwicht
15.
De hersenstam:
a)
regelt onbewuste levensprocessen en reflexen
b)
coördineert bewegingen en evenwicht
c)
Zet informatie vast in je geheugen
16.
De grote hersenen:
a)
coördineren evenwicht en beweging
b)
Zijn verbonden met diverse hersencentra en zetten verwerkte informatie vast in het geheugen
c)
regelen onbewuste levensprocessen en reflexen
17.
Een bewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
18.
Een onbewuste beweging gaat via deze weg:
a)
gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, hersenen, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
b)
Gevoelszenuwcel, schakelzenuwcel, bewegingszenuwcel, spieren
19.
Een onbewuste beweging ontstaat in:
a)
ruggenmerg of hersenstam
b)
ruggenmerg of grote hersenen
c)
grote hersenen en hersenstam
d)
Alle delen van de hersenen
20.
Reflexen gaan snel om je lichaam te beschermen tegen beschadigingen
a)
juist
b)
onjuist
21.
Wat zijn hormonen en waar worden ze gemaakt?
a)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
b)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hypofyse
c)
Hormonen zijn regelstoffen en worden gemaakt in hormoonklieren
d)
Hormonen zijn herkenningsstoffen en worden gemaakt in de hormoonklieren
22.
Functie van de eilandjes van Langerhans=
a)
Groeihormoon, hormonen waarmee de werking van andere hormoonklieren wordt geregeld.
b)
Schildklierhormoon. Dit hormoon regelt de snelheid waarmee verbranding in je lichaam plaatsvindt.
c)
Insuline en glucagon. Regelen de hoeveelheid glucose in het bloed.
d)
adrenaline. zorgt voor meer glucose in het bloed.
23.

Insuline zorgt er voor dat het glucose (suiker) gehalte in je bloed:

a)

daalt

b)

stijgt

24.

Als je glucose gehalte in je bloed te laag is (onder de 0,1%) maakt je lichaam

a)

Insuline aan

b)

Glucagon aan

25.

Als je suikerziekte hebt maakt je lichaam een bepaald hormoon niet meer aan, dit is:

a)

Glucose

b)

Insuline

c)

eilandjes van Langerhans

26.

Inge heeft diabetes en heeft zich zelf te veel insuline ingespoten. Hierdoor wordt haar suiker gehalte (glucose) in het bloed;

a)

Te hoog

b)

Te laag

27.

In de lever wordt glucose opgeslagen als..

a)

Glucagon

b)

Glycogeen

c)

Insuline