wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kernfysica deel 1

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Atoom X heeft 26 protonen en 30 neutronen.

Van welk element is dit een isotoop? (Gebruik PSE)

a)

He: Helium

b)

Fe: IJzer

c)

Zn: Zink

d)

Ba: Barium

2.

Atoom X is Fe-56 en atoom Y heeft een gelijk aantal neutronen als atoom X, maar twee protonen meer.

Wat is het atoomnummer van atoom Y? (Gebruik PSE)

a)

26

b)

28

c)

56

d)

58

3.

Marie Curie (1867-1934) was één van de eerste natuurkundigen die onderzoek deed met radioactieve stoffen. In die tijd was er nog niet veel bekend over de gevaren van radioactieve stoffen. Zij bewaarde daarom stukken radioactief radium in haar bureau bij haar aantekeningen. Deze aantekeningen worden vandaag bewaard in een met lood beklede kist.


Welke soort of soorten straling houdt een met lood beklede kist tegen?

a)

alfastraling

b)

bétastraling

c)

gammastraling

4.

Welke straling wordt door een vel papier geabsorbeerd?

a)

alfastraling

b)

bétastraling

c)

gammastraling

5.

Bij welke straling wordt lood gebruikt om mensen af te schermen?

a)

alfastraling

b)

bétastraling

c)

gammastraling

6.

Welke straling(en) kun je tegenhouden met een dik boek?

a)

alfastraling

b)

bétastraling

c)

gammastraling

7.

Vervolledig volgende reactievergelijking

a)

4α2

b)

0β-1

c)

0α-1

d)

4β2

8.

Vervolledig volgende reactievergelijking

a)

127Sb51

b)

131Xe54

9.

Grotere kernen hebben meer protonen dan neutronen nodig om stabiele kernen te vormen.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Je kunt je beschermen van ioniserende straling door o.a. de afstand en de duur in acht te nemen.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Een α-deeltje is positief geladen en buigt sneller af naar de negatieve plaat dan een β-deeltje naar de positieve plaat.

a)

Waar.

b)

Niet waar, het buigt trager af.

c)

Niet waar, een α-deeltje buigt naar de positieve plaat en een β-deeltje naar de negatieve plaat.

12.

In toenemend gevaar IN het lichaam

a)

α < β < γ

b)

γ < β < α

c)

α < γ < β

13.

In toenemend gevaar BUITEN het lichaam

a)

α < β < γ

b)

γ < β < α

c)

α < γ < β

14.

Een massieve bestraling die zorgt voor het niet behoorlijk functioneren van organen is ...

(a)  

15.

Bij β-straling vervalt één ....

a)

proton in een neutron en een elektron.

b)

neutron in een proton en een elektron.

c)

neutron in twee elektronen.

16.

E =

a)

m².c

b)

c².m

17.

N (aantal neutronen) =

a)

A + Z

b)

A - Z

c)

A.Z

d)

A/Z

18.

Een synoniem voor een vervalreeks is ...

a)

inwendige bestraling

b)

acuut stralingssyndroom

c)

transmutatie

19.

Welk verval is er bij de eerste stap?

a)

α-straling

b)

β-straling

20.

Welk verval is er bij de tweede stap?

a)

α-straling

b)

β-straling