Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Stevigheid en beweging

Total questions: 31

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Het borstbeen is aangegeven met nummer

a)

5

b)

6

c)

7

d)

8

2.

De ellepijp is aangegeven met nummer

a)

9

b)

13

c)

14

d)

18

3.

Het opperarmbeen is een voorbeeld van een

a)

Pijpbeen

b)

Plat been

4.

In de mergholte van pijpbeenderen vind je

a)

Rood beenmerg

b)

Geel beenmerg

5.

Nummer 2 is een

a)

Teenganger

b)

Topganger

c)

Zoolganger

6.

De linker afbeelding is een afbeelding van

a)

Kraakbeenweefsel

b)

Beenweefsel

7.

Welke beenverbinding maakt een beetje beweging mogelijk

a)

Vergroeiing

b)

Kraakbeen verbinding

c)

Gewricht

d)

Naadverbinding

8.

Het deel dat verantwoordelijk is voor de productie van gewrichtssmeer is nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

9.

Het deel dat slijtage van de botten tegen gaat is nummer

a)

2

b)

3

c)

4

d)

5

10.

De gewrichtskom is aangegeven met nummer

a)

1

b)

4

c)

5

d)

6

11.

De elleboog is een gewricht als nummer

a)

1

b)

2

c)

3

12.

Spieren met een tegengestelde werking noemen we

a)

antagonisten

b)

antisemitisme

c)

altruïsme

13.

De spierschede is aangegeven met nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

14.

De pees is aangegeven met nummer

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

15.

Een ontsteking van de aanhechtingsplaats van de spieren in de onderarm noemen we

a)

verzwikking

b)

kneuzing

c)

rsi

d)

tennisarm

16.

Een beschadiging van weefsel zonder dat er iets gebroken of gescheurd is noemen we

a)

verzwikking

b)

kneuzing

c)

rsi

d)

tennisarm

17.

Bij een ontwrichting

a)

is de kop uit de kom geschoten

b)

Is weefsel beschadigd zonder scheur of breuk

c)

Is de meniscus kapot

d)

Is het kapsel beschadigd

18.

Een blessure kun je voorkomen door

a)

een warming-up

b)

cooling down

c)

rekken en strekken

d)

Alle antwoorden zijn goed

19.

Juist of onjuist: een ander woord voor botten is beenderen

a)

Juist

b)

Onjuist

20.

Welke persoon breekt sneller een bot als hij valt?

a)

Een baby

b)

Een kind

c)

Een volwassene

d)

Een oudere

21.

Als je een spier aanspant wordt de spier:

a)

Langer en dikker

b)

Langer en dunner

c)

Korter en dikker

d)

Korter en dunner

22.

Wat is een ander woord voor ruggengraat?

a)

Wervelkolom

b)

Lendenwervel

c)

Halswervel

d)

Borstwervel

23.

Welke functie van het skelet zorgt ervoor dat je niet in elkaar zakt?

a)

Stevigheid

b)

Beweging

c)

Bescherming

d)

Vorm

24.

Welk orgaan wordt beschermt door het skelet?

a)

Darmen

b)

Maag

c)

Longen

d)

Luchtpijp

25.

Welk deel van het gewricht zorgt ervoor dat deze goed op zijn plek blijft?

a)

Laagje kraakbeen

b)

Kapselbanden

c)

Gewrichtssmeer

d)

Gewrichtskogel

26.

Waarmee zit een spier vast aan het bot?

a)

Kapselband

b)

Aanhechtingsplaats

c)

Spier

d)

Pees

27.

Welke vorm heeft de ruggengraat?

a)

Dubbele S vorm

b)

Enkele S vorm

c)

Dubbele C vorm

d)

Enkele C vorm

28.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? (het is de schouder)
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
d)
naadverbinding
29.
Welk soort verbinding zie je op het plaatje? 
a)
rolgewricht
b)
scharniergewricht
c)
kogelgewricht
30.

De mens heeft een .... skelet

a)

Inwendig

b)

Uitwendig

c)

Geen

31.

Een functie van het skelet is ... (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Stevigheid

b)

Bescherming

c)

Beweging