wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Eindquiz Nederlands klas 1

Total questions: 32

Worksheet time: 59mins

Name
Class
Date
1.

Je leest een tekst. Welk onderwerp is waarschijnlijk het beste?

a)

Vriendschap

b)

Vriendschap in coronatijd

c)

Vriendschap in coronatijd is belangrijk.

2.

In dit deel van de tekst geeft de schrijver aan waar hij het over gaat hebben.

a)

Inleiding

b)

Kern

c)

Slot

3.

In dit deel van de tekst vat de schrijver alles samen of geeft hij een conclusie.

a)

Inleiding

b)

Kern

c)

Slot

4.

In dit deel van de tekst geeft de schrijver informatie over het onderwerp.

a)

Inleiding

b)

Kern

c)

Slot

5.

5. Wat is het doel van deze tekst?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Activeren

d)

Overtuigen

e)

Amuseren

6.

Wat is het doel van deze tekst?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Activeren

d)

Overtuigen

e)

Amuseren

7.

Wat is het doel van deze tekst?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Activeren

d)

Overtuigen

e)

Amuseren

8.

Wat is het doel van deze tekst?

a)

Informeren

b)

Instrueren

c)

Activeren

d)

Overtuigen

e)

Amuseren

9.

Welk signaalwoord hoort bij een tegenstelling?

a)

ook

b)

maar

c)

dus

10.

Welk woord is een lidwoord?

a)

de

b)

van

c)

bank

d)

gezellige

11.

Welk woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

de

b)

van

c)

bank

d)

gezellige

12.

Welk woord is een bijvoeglijk naamwoord?

a)

de

b)

van

c)

bank

d)

gezellige

13.

Welk woord is een voorzetsel?

a)

de

b)

van

c)

bank

d)

gezellige

14.

In welke zin zie je een vast voorzetsel?

a)

Ik houd van jou.

b)

Ik fiets naast jou.

15.

Welke zin is correct?

a)

Davey de Vries fietst op zijn belgische fiets naar Rotterdam.

b)

Davey De Vries fietst op zijn belgische fiets naar Rotterdam.

c)

Davey de Vries fietst op zijn Belgische fiets naar Rotterdam.

16.

Het winkelcentrum (worden) binnenkort (uitbreiden) met een nieuwe schoenenzaak.

a)

Word, uitgebreid

b)

Wordt, uitgebreid

c)

Word, uitgebreit

d)

Wordt, uitgebreit

17.

Wanneer lees je een tekst oriënterend?

a)

Als je alleen de afbeeldingen bekijkt.

b)

Als je iets wilt opzoeken in de tekst.

c)

Als je precies wilt weten wat er in de tekst staat.

d)

Als je snel wilt weten waarover de tekst gaat.

18.

Welke uitspraken zijn waar?

a)

Alle werkwoorden hebben een duidelijke betekenis.

b)

Een werkwoord is een woordsoort.

c)

Een werkwoord kun je vervoegen.

d)

In een zin staan minstens twee werkwoorden

19.

Van welke zin is de verdeling in zinsdelen juist?

a)

Bij het skiën/ heeft / Anneloes / haar bovenbeen / gebroken.

b)

De verdachte / legde / een verklaring af / tegenover de politie.

c)

In de eerste paragraaf / van de tekst / stond / een grote spelfout.

d)

Marloes/ heeft / een mooie etage / gekocht / in het centrum / van Amsterdam.

20.

Als de persoonsvorm enkelvoud is, moet het onderwerp ook enkelvoud zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

21.

Het oerwou[d|t] wordt vaak bezoch[d|t] door de Nederlandse toeristen.

a)

oerwoud, bezochd

b)

oerwoud, bezocht

c)

oerwout, bezochd

d)

oerwout, bezocht

22.

Het gezegde bestaat altijd uit meerdere werkwoorden.

a)

Waar

b)

Niet Waar

23.

In de inleiding van de tekst …

a)

maak je kennis met het onderwerp en lees je wat belangrijk is in de tekst.

b)

maak je kennis met het onderwerp en lees je vaak een voorbeeld of anekdote.

c)

zorgt de schrijver dat je het onderwerp weet en vertelt hij nooit een anekdote.

d)

zorgt de schrijver ervoor dat je nieuwsgierig bent naar het slot van de tekst.

24.

Afstanden, gewichten en maten zijn altijd lijdend voorwerp.

a)

Waar

b)

Niet Waar

25.

Welk zinsdeel ontbreekt in deze zin?

Door een overstekende kat op het drukke kruispunt schrikt een motorrijdster zich wild.

a)

persoonsvorm

b)

onderwerp

c)

werkwoordelijk gezegde

d)

lijdend voorwerp

26.

De deur is dicht. Wil jij [dat|die] even opendoen?

a)

dat

b)

die

27.

In welke zinnen staan vaste voorzetsels?

a)

Achter het hek bevindt zich een park.

b)

De toeristen zijn op zoek naar een fijne slaapplaats.

c)

Misschien kun je tijdens je vakantie ons een foto sturen?

28.

Een voorbeeld van het tekstdoel amuseren is een …

a)

bespreking van een app

b)

leesboek

c)

recept

d)

uitnodiging

29.

Een voorbeeld van het tekstdoel de lezer iets laten doen, is een …

a)

stripverhaal

b)

bespreking van een concert

c)

gebruiksaanwijzing

d)

nieuwsbericht

30.

In welke zin staat een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?

a)

Koningin Maxima droeg op Koningsdag een creatie van het Belgische modehuis Natan.

b)

Op de inhuldigingsdag straalde koningin Maxima in een sierlijke koningsblauwe jurk met daarop borduursels.

c)

Wanneer koos onze koningin voor een jurk van zijde?

d)

Ze droeg op Prinsjesdag een prachtige jurk van ontwerper Jan Taminiau.

31.

Waar ben je trots op bij het vak Nederlands?

4 lines
32.

Waar wil je volgend jaar aan gaan werken bij Nederlands?

4 lines