wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

lj1 thema bloemen planten zaden

Total questions: 27

Worksheet time: 1hrs 21mins

Name
Class
Date
1.

Het witte gedeelte van de witte dovenetel heet de

bloemkroon.

a)

ja

b)

nee

2.

Uit een bevruchte eicel ontstaat een kiem.

a)

ja

b)

nee

3.

Na de bevruchting wordt het vruchtbeginsel kleiner.

a)

ja

b)

nee

4.

De kroonbladeren van windbloemen zijn meestal groen.

a)

ja

b)

nee

5.

De stempel is een deel van de stamper.

a)

ja

b)

nee

6.

Kroonbladeren beschermen de bloem in de knop tegen

uitdroging en kou.

a)

ja

b)

nee

7.

De stuifmeelbuis maakt stuifmeel.

a)

ja

b)

nee

8.

Nummer 3 is een mannelijk voortplantingsorgaan.

a)

ja

b)

nee

9.

Bij nummer 2 vindt bestuiving plaats.

a)

ja

b)

nee

10.

De functie van bloemen is voortplanten.

a)

ja

b)

nee

11.

Tomaten zijn vruchten.

a)

ja

b)

nee

12.

Pitten en bonen zijn zaden.

a)

ja

b)

nee

13.

Wat zit er in de stuifmeelbuis?

a)

de kern van een eicel

b)

de kern van een stuifmeelkorrel

c)

een bevruchte eicel

d)

een zaadbeginsel

14.

In zaden zit reservevoedsel. Waarvoor is dit reservevoedsel bedoeld?

a)

voor de insecten

b)

voor het kiemplantje

c)

voor de vrucht

15.

Je ziet een doorsnede van een appel.

Uit welk deel van de bloem is onderdeel O ontstaan?

a)

uit de bloemsteel

b)

uit de meeldraden

c)

uit het vruchtbeginsel

d)

uit het zaadbeginsel

16.

Wat zijn voorbeelden van eetbare zaden? Er zijn twee antwoorden goed. 2 antwoorden mogelijk

a)

erwt

b)

kers

c)

kiwi

d)

mais

e)

tomaat

17.

Na de bevruchting verandert het zaadbeginsel van een bloem. Wat ontstaat er uit een zaadbeginsel?

a)

kiem

b)

vrucht

c)

zaad

18.

Er gaat stuifmeel van de ene bloem naar de andere bloem.

Bij welke pijl vindt bestuiving plaats?

a)

pijl 1

b)

pijl 2

c)

pijl 3

19.

De bloem van een appelboom is bevrucht. Wat gebeurt er na de bevruchting?

a)

Uit het zaadbeginsel ontstaat een vrucht.

b)

Uit het vruchtbeginsel ontstaat een vrucht.

c)

Uit het vruchtbeginsel ontstaat een zaad.

20.

Hieronder staan twee zinnen. Er ontbreken woorden. Vul de juiste woorden in. Kies uit: stijl – stuifmeelbuis (2x) – stuifmeelkorrel.

Na de bestuiving groeit uit de …(1)… een …(2)…

De …(3)… groeit door de …(4)… heen naar de zaadbeginsels.

a)

1 = stuifmeelkorrel

2 = stuifmeelbuis

3 = stuifmeelbuis

4 = stijl

b)

1 = stuifmeelbuis

2 = stuifmeelbuis

3 = stuifmeelkorrel

4 = stijl

c)

1 = stijl

2 = stuifmeelbuis

3 = stuifmeelbuis

4 = stuifmeelkorrel

21.

Je ziet een afbeelding van een stamper. Hoe heten de onderdelen 1, 2 en 3?

4 lines
22.

Je ziet eetbare delen van planten. Kun je hiervan de vrucht of het zaad eten?

1 bruine boon

2 kers

3 paprika

4 pinda

5 sinaasappel

Zet het nummer hieronder en vul in vrucht of zaad.

4 lines
23.

Hooikoorts

Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.


Bij welke soort bloemen heeft Lisette het meeste last van hooikoorts? Geef daarvoor twee redenen.

4 lines
24.

Hooikoorts

Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.


Lisette wordt gebeld door haar vriendin Suzanne. Suzanne vraag of Lisette mee gaat naar de stad. Lekker wat drinken op een terras. De zon schijnt, het is mooi weer. Lisette heeft daar zin in en zegt ‘ja’.

Lisette gaat liever een terrasje pakken in de stad dan een stukje fietsen in de natuur.

Leg uit waarom. Gebruik in je antwoord het woord hooikoorts.

4 lines
25.

Hooikoorts

Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.


Door de wind komt het stuifmeel van windbloemen overal terecht. De kans dat een stuifmeelkorrel op een bloem van dezelfde soort terechtkomt is dus heel klein. Toch lukt het windbloemen wel om elkaar te bestuiven.

25 Welke kenmerken van windbloemen zijn hierbij belangrijk? Schrijf er twee op.


4 lines
26.

De grote bosmuis maakt grote wintervoorraden. Deze bestaan uit esdoornzaad, lijnzaad, hazelnoten en eikels. Hij vervoert de zaden met meerdere tegelijkertijd in zijn mond en wangzakken. Soms gebruikt de grote bosmuis oude vogelnesten als voorraadplek. Ook graaft hij ondiepe putjes waarin hij de voorraad begraaft. Soms verstopt hij meer zaden dan hij nodig heeft. Soms kan hij zijn verstopplaats niet meer terugvinden. De zaden blijven dan liggen.


Hazelnoten zijn vruchten van een hazelaar. De grote bosmuis verstopt hazelnoten.

26 Welk nut heeft dit voor een hazelaar?

4 lines
27.

Hoe wordt het zaad van een kers verspreid?

a)

door de plant zelf

b)

door de wind

c)

door dieren