Font size
Worksheetslj1 thema bloemen planten zaden
Total questions: 27
Worksheet time: 1hrs 21mins
Het witte gedeelte van de witte dovenetel heet de
bloemkroon.
ja
nee
Uit een bevruchte eicel ontstaat een kiem.
ja
nee
Na de bevruchting wordt het vruchtbeginsel kleiner.
ja
nee
De kroonbladeren van windbloemen zijn meestal groen.
ja
nee
De stempel is een deel van de stamper.
ja
nee
Kroonbladeren beschermen de bloem in de knop tegen
uitdroging en kou.
ja
nee
De stuifmeelbuis maakt stuifmeel.
ja
nee
Nummer 3 is een mannelijk voortplantingsorgaan.
ja
nee
Bij nummer 2 vindt bestuiving plaats.
ja
nee
De functie van bloemen is voortplanten.
ja
nee
Tomaten zijn vruchten.
ja
nee
Pitten en bonen zijn zaden.
ja
nee
Wat zit er in de stuifmeelbuis?
de kern van een eicel
de kern van een stuifmeelkorrel
een bevruchte eicel
een zaadbeginsel
In zaden zit reservevoedsel. Waarvoor is dit reservevoedsel bedoeld?
voor de insecten
voor het kiemplantje
voor de vrucht
Je ziet een doorsnede van een appel.
Uit welk deel van de bloem is onderdeel O ontstaan?
uit de bloemsteel
uit de meeldraden
uit het vruchtbeginsel
uit het zaadbeginsel
Wat zijn voorbeelden van eetbare zaden? Er zijn twee antwoorden goed. 2 antwoorden mogelijk
erwt
kers
kiwi
mais
tomaat
Na de bevruchting verandert het zaadbeginsel van een bloem. Wat ontstaat er uit een zaadbeginsel?
kiem
vrucht
zaad
Er gaat stuifmeel van de ene bloem naar de andere bloem.
Bij welke pijl vindt bestuiving plaats?
pijl 1
pijl 2
pijl 3
De bloem van een appelboom is bevrucht. Wat gebeurt er na de bevruchting?
Uit het zaadbeginsel ontstaat een vrucht.
Uit het vruchtbeginsel ontstaat een vrucht.
Uit het vruchtbeginsel ontstaat een zaad.
Hieronder staan twee zinnen. Er ontbreken woorden. Vul de juiste woorden in. Kies uit: stijl – stuifmeelbuis (2x) – stuifmeelkorrel.
Na de bestuiving groeit uit de …(1)… een …(2)…
De …(3)… groeit door de …(4)… heen naar de zaadbeginsels.
1 = stuifmeelkorrel
2 = stuifmeelbuis
3 = stuifmeelbuis
4 = stijl
1 = stuifmeelbuis
2 = stuifmeelbuis
3 = stuifmeelkorrel
4 = stijl
1 = stijl
2 = stuifmeelbuis
3 = stuifmeelbuis
4 = stuifmeelkorrel
Je ziet een afbeelding van een stamper. Hoe heten de onderdelen 1, 2 en 3?
Je ziet eetbare delen van planten. Kun je hiervan de vrucht of het zaad eten?
1 bruine boon
2 kers
3 paprika
4 pinda
5 sinaasappel
Zet het nummer hieronder en vul in vrucht of zaad.
Hooikoorts
Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.
Bij welke soort bloemen heeft Lisette het meeste last van hooikoorts? Geef daarvoor twee redenen.
Hooikoorts
Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.
Lisette wordt gebeld door haar vriendin Suzanne. Suzanne vraag of Lisette mee gaat naar de stad. Lekker wat drinken op een terras. De zon schijnt, het is mooi weer. Lisette heeft daar zin in en zegt ‘ja’.
Lisette gaat liever een terrasje pakken in de stad dan een stukje fietsen in de natuur.
Leg uit waarom. Gebruik in je antwoord het woord hooikoorts.
Hooikoorts
Lisette heeft last van een loopneus, verstopte neus en tranende ogen. Het lijkt of ze verkouden is, maar dat is ze niet. Ze heeft hooikoorts. Dat komt door stuifmeelkorrels. Vooral in de lente en de zomer heeft ze last van hooikoorts. Haar vriendinnen gaan lekker naar buiten als het mooi weer is. Bijvoorbeeld een stuk fietsen in de natuur. Lisette blijft dan het liefst binnen. Dat vindt ze wel jammer.
Door de wind komt het stuifmeel van windbloemen overal terecht. De kans dat een stuifmeelkorrel op een bloem van dezelfde soort terechtkomt is dus heel klein. Toch lukt het windbloemen wel om elkaar te bestuiven.
25 Welke kenmerken van windbloemen zijn hierbij belangrijk? Schrijf er twee op.
De grote bosmuis maakt grote wintervoorraden. Deze bestaan uit esdoornzaad, lijnzaad, hazelnoten en eikels. Hij vervoert de zaden met meerdere tegelijkertijd in zijn mond en wangzakken. Soms gebruikt de grote bosmuis oude vogelnesten als voorraadplek. Ook graaft hij ondiepe putjes waarin hij de voorraad begraaft. Soms verstopt hij meer zaden dan hij nodig heeft. Soms kan hij zijn verstopplaats niet meer terugvinden. De zaden blijven dan liggen.
Hazelnoten zijn vruchten van een hazelaar. De grote bosmuis verstopt hazelnoten.
26 Welk nut heeft dit voor een hazelaar?
Hoe wordt het zaad van een kers verspreid?
door de plant zelf
door de wind
door dieren
