Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

erfelijkheid 2

Total questions: 13

Worksheet time: 39mins

Name
Class
Date
1.
Kleurenblindheid is een recessieve aandoening. We kunnen dan zeggen dat kleurenblindheid ontstaat bij mensen met:
a)
Twee zwakke genen (a-a)
b)
Twee sterke genen (A-A)
c)
Twee ongelijke genen (A-a)
d)
Als hij altijd ziek wordt
2.
Bij maïsplanten komt een dominant gen R voor dat er voor zorgt dat maïskorrels heel hard worden. Een plant met genotype Rr wordt gekruisd met een andere plant met genotype Rr.
Hoeveel procent de maïsplanten in de F1 heeft harde zaden?
a)
25%
b)
50%
c)
75%
d)
82,2%
3.
In de afbeelding zie je schematisch hoe twee zaadcellen en twee eicellen ontstaan. De zaadcellen zijn via reductiedeling ontstaan uit dezelfde moedercel. De zaadcellen hebben waarschijnlijk ..... hetzelfde genotype.
a)
wel
b)
niet
4.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype AA heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

5.

Twee ouders (Aa x Aa) paren en krijgen nakomelingen.

Hoe groot is de kans dat de nakomelingen in de F1 het genotype aa heeft?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

75%

e)

100%

6.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Wat zijn de genotypen van de ouders?

a)

mannetje hh x vrouwtje HH

b)

mannetje HH x vrouwtje hh

c)

Hh x Hh

7.

Bij muizen is het gen voor een zwarte vacht (H) dominant over het gen voor een witte vacht (h). Een zwarte vrouwtjesmuis die homozygoot voor de vachtkleur is, wordt gekruist met een wit mannetje.


Welk fenotype hebben de nakomelingen in de F1?

a)

Wit

b)

Zwart

c)

Grijs

8.

Onderdelen in een organisme zijn: celkern, DNA, chromosoom, gen en cel. Zet deze organismen in de goede volgorde, het kleinste eerst, het grootste als laatste.

a)

DNA - Gen - Cel - Chromosoom - Celkern

b)

Gen - DNA - Chromosoom - Celkern - Cel

c)

Gen - Chromosoom - DNA - Celkern - Cel

d)

Chromosoom - DNA - Celkern - Gen - Cel

9.

Waar in je lichaam komen genen voor?

a)

Niet in geslachtscellen en niet in lichaamscellen

b)

Alleen in geslachtscellen

c)

Alleen in lichaamscellen

d)

In alle lichaamscellen en geslachtscellen

10.

Waar zijn genen van gemaakt?

a)

Ze zijn gemaakt van chromatiden

b)

Ze zijn gemaakt van chromosomen

c)

Ze zijn gemaakt van DNA

11.
Zaadcellen worden gevormd door ?
a)
Meiose 
b)
Mitose 
c)
Gewone celdeling 
12.

Een vrouw heeft

a)

XX chromosomen

b)

XY chromosomen

c)

YY chromosomen

13.

Dit plaatje is een voorbeeld van verandering in

a)

Genotype

b)

Fenotype

c)

Dna

d)

Milieu