wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz Chemie HW

Total questions: 32

Worksheet time: 34mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het symbool van Goud?

a)

Ag

b)

Cd

c)

Au

d)

Hg

2.

Wat is het symbool van Stikstof?

a)

N

b)

Si

c)

Na

d)

S

3.

Welk element wordt voorgesteld door het symbool B?

a)

Boor

b)

Beryllium

c)

Barium

d)

Broom

4.

Welk element wordt voorgesteld door het symbool K?

a)

Krypton

b)

Koper

c)

Calcium

d)

Kalium

5.

Is deze reactievergelijking in evenwicht?

a)

ja

b)

nee

6.

Is volgende reactievergelijking in evenwicht: N2 + H2 --> 2 NH3

a)

Ja

b)

Nee

7.

Welke coëfficiënt heeft NaCl nodig om volgende reactievergelijking in evenwicht te brengen: ? NaCl --> 2 Na + 1 Cl2 ?

(a)  

8.

Hoeveel protonen bevat het element Natrium? Het atoomnummer en het massagetal van Natrium worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

9.

Hoeveel neutronen bevat het element Boor? Het atoomnummer en het massagetal van Boor worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

10.

Hoeveel elektronen bevat het element Stikstof? Het atoomnummer en het massagetal van Stikstof worden op onderstaande afbeelding weergegeven.

(a)  

11.

Wat is de elektronenconfiguratie van het element Natrium dat 11 elektronen bevat?

a)

2,8,1

b)

8,3

c)

2,2,7

d)

8,2,1

12.

Wat is de elektronenconfiguratie van het element fosfor dat 15 elektronen bevat? Schrijf geen spaties!

(a)  

13.

Op deze afbeelding zie je enkele elementen afgebeeld uit groep 6 van het PSE. Welke uitspraak klopt?

a)

Deze elementen hebben allemaal 6 schillen.

b)

Deze elementen hebben allemaal 6 valentie-elektronen.

c)

Deze elementen hebben allemaal een EN-waarde 0.

d)

Geen van bovenstaande uitspraken klopt.

14.

Op deze afbeelding zie je enkele elementen afgebeeld uit periode 3 van het PSE. Welke uitspraak klopt?

a)

Deze elementen hebben allemaal 3 schillen.

b)

Deze elementen hebben allemaal 3 valentie-elektronen.

c)

Deze elementen hebben allemaal een EN-waarde 0.

d)

Geen van bovenstaande uitspraken klopt.

15.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

16.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

17.

Welke elementen willen geen elektronen afstaan of opnemen?

a)

metalen

b)

niet-metalen

c)

edelgassen

18.

Welke elementen vormen positieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

19.

Welke elementen vormen negatieve ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

20.

Welke elementen vormen geen ionen?

a)

Elementen met veel valentie-elektronen

b)

Elementen met weinig valentie-elektronen

c)

Elementen met een volledig gevulde buitenste schil

21.

Hoeveel elektronen willen elementen met 2 valentie-elektronen afstaan?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

22.

Hoeveel elektronen willen elementen met 7 valentie-elektronen opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

23.

Hoeveel elektronen willen elementen met 8 valentie-elektronen (of een volledig gevulde buitenste schil) opnemen?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

geen

24.

Hoe noemen we de binding tussen een metaal en een niet-metaal?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

25.

Bij welke soort binding worden elektronen uitgewisseld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

26.

Welk soort binding is CaO?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

27.

Hoe noemen we de binding tussen niet-metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

28.

Bij welke soort binding worden gemeenschappelijke elektronenparen gevormd?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

29.

Welk soort binding is CO2?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding

30.

Hoe noemen we de binding tussen metalen?

a)

Ionbinding

b)

Covalente binding

c)

Metaalbinding

31.

Bij welke soort binding worden valentie-elektronen gemeenschappelijk beschikbaar gesteld?

a)

metaalbinding

b)

covalente binding

c)

ionbinding

32.

Welk soort binding is Ag?

a)

Ionbinding

b)

Metaalbinding

c)

Covalente binding