Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

DNA kennis (vwo-6)

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Aan welke streng worden de Okazakifragmenten gevormd?

a)

Leidende streng

b)

Volgende streng

c)

Sense streng

d)

Antisense streng

2.

Welk enzym verbreekt de verbinding tussen de basenparen?

a)

Helicase

b)

DNA polymerase

c)

Primase

d)

Ligase

3.

Wat is de functie van primase?

a)

Het plaatst een RNA primer

b)

Het koppelt nucleotiden aan elkaar

c)

Het ‘lijmt’ de Okazakifragmenten aan elkaar

d)

Het breekt de verbindingen tussen de basenparen

4.

In welk richting wordt het DNA bij replicatie afgelezen?

a)

Van 5' naar 3'

b)

Van 3' naar 5'

c)

Het wordt in beide richtingen afgelezen

5.

Wat is correct over de leidende streng?

a)

De leidende streng heeft vele primers

b)

De leidende streng heeft Okazakifragmenten

c)

De leidende streng heeft één primer

d)

De DNA nucleotiden worden aan de leidende streng gekoppeld van 5’ naar 3’

6.

Welk enzym vervangt de RNA primer door DNA?

a)

RNA polymerase

b)

DNA polymerase

c)

Helicase

d)

Ligase

7.

Welke streng wordt bij transcriptie afgelezen?

a)

De sense streng

b)

De antisense streng

c)

De coderende streng

d)

De leidende streng

8.

Welk enzym koppelt de RNA nucleotiden aan de DNA streng?

a)

RNA polymerase

b)

DNA polymerase

c)

Transcriptase

d)

Helicase

e)

Ligase

9.

In welke richting leest het RNA polymerase?

a)

Van 3’ naar 5’

b)

Van 5’ naar 3’

c)

Zowel van 5’ naar 3’ als van 3’ naar 5’

10.

Hoe heet het stukje dat het startpunt is voor de transcriptie?

a)

Intron

b)

Exon

c)

Promotor

d)

Sensestreng

11.

Wat gebeurt er NIET bij transcriptie?

a)

Introns worden eruit gehaald

b)

Er wordt een 5’ cap geplaatst

c)

Het RNA krijgt een poly A staart

d)

Exons worden eruit gehaald

12.

Wanneer stopt de transcriptie?

a)

Bij de de TATAAA volgorde

b)

Aan het eind van het DNA

c)

Bij de TTATTT volgorde

d)

Dit wordt geregeld door de introns

13.

Wat wordt afgelezen in de genetische code (van Binas)?

a)

Het mRNA

b)

Het tRNA

c)

Het rRNA

d)

De antisense streng van het DNA

14.

In welke richting vindt de translatie plaats?

a)

Van 5’ naar 3’

b)

Van 3’ naar 5’

c)

Dat maakt niet uit, kan in allebei de richtingen

15.

Hoeveel codons coderen voor aminzouren?

a)

61

b)

64

c)

Meer dan duizend

d)

20

16.

Wat is waar over de 3e base van een codon?

a)

Als dit een U of een C is, dan wordt hetzelfde aminozuur toegevoegd

b)

Deze base speelt geen rol bij de koppeling van het anticodon aan het codon

c)

Als dit een U of een G is, dan wordt hetzelfde aminozuur toegevoegd

d)

Deze base is essentieel voor de koppeling tussen het anticodon en het codon

17.

Aan welke kant van het RNA molecuul vindt koppeling met het aminozuur plaats

a)

Dit vindt plaats aan de 5’ kant van het rRNA

b)

Dit vindt plaats aan de 3’ kan van het rRNA

c)

Dit vindt plaats aan de 5’ kant van het tRNA

d)

Dit vindt plaats aan de 3’ kant van het tRNA

18.

Wat is niet waar over de translatie?

a)

Het start altijd met methionine

b)

Het stopcodon bindt aan een ontkoppelingseiwit

c)

Aan één mRNA kunnen tegelijkertijd meerdere ribosomen vastzitten

d)

Alle methionine aminozuren worden na translatie ontkoppeld