wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Waterquiz - test

Total questions: 89

Worksheet time: 1hrs 28mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn functies van water?

a)

Brandstof van cellen

b)

Schoonmaakmiddel

c)

Verwarmstof

d)

Transportmiddel

2.

Hoe kun je van zeewater drinkwater maken?

a)

Het zeewater zeven met een dunne zeef.

b)

Het zeewater verhitten en wat er op de zeebodem overblijft is schoon drinkwater.

c)

Het zeewater verhitten en de waterdamp opvangen. Dit is het schone drinkwater.

d)

Van zeewater kun je geen drinkwater maken.

3.

Welke functie van water ontdekte je bij het experiment (2) met bleekselderij en blauwe kleurstof?

(a)  

4.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 1.

(a)  

5.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 2.

(a)  

6.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 3.

(a)  

7.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 4.

(a)  

8.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 5.

(a)  

9.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 6.

(a)  

10.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 7.

(a)  

11.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 8.

(a)  

12.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 9.

(a)  

13.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 10.

(a)  

14.

Typ de naam van het onderdeel dat aangewezen wordt met nummer 11.

(a)  

15.

Welke cel wordt hier op het plaatje afgebeeld?

(a)  

16.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

17.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

18.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

19.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

20.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 5?

(a)  

21.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 6?

(a)  

22.

Welke cel wordt hier op het plaatje afgebeeld?

(a)  

23.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 7?

(a)  

24.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 8?

(a)  

25.

Welk celonderdeel wordt aangegeven met nummer 9?

(a)  

26.

Welke celonderdelen heeft een plantaardige cel wel en een dierlijke cel niet?

a)

celkern

b)

celwand

c)

vacuole

d)

bladgroenkorrels

e)

celmembraan

27.

Welke fase van water komt op plek A te staan?

(a)  

28.

Welke fase van water komt op plek B te staan?

(a)  

29.

Welke fase van water komt op plek C te staan?

(a)  

30.

Welke fase-overgang komt op cijfer 1 te staan?

(a)  

31.

Welke fase-overgang komt op cijfer 2 te staan?

(a)  

32.

Welke fase-overgang komt op cijfer 3 te staan?

(a)  

33.

Welke fase-overgang komt op cijfer 4 te staan?

(a)  

34.

Welke fase-overgang komt op cijfer 5 te staan?

(a)  

35.

Welke fase-overgang komt op cijfer 6 te staan?

(a)  

36.

Bij welke temperatuur kookt water?

a)

0 graden Celsius

b)

90 graden Celsius

c)

100 graden Celsius

d)

110 graden Celsius

37.

Bij welke temperatuur bevriest water?

a)

0 graden Celsius

b)

1 graden Celsius

c)

90 graden Celsius

d)

100 graden Celsius

38.

Wat betekent een zoutconcentratie van 16%?

a)

In 100 gram water zit 0,16 gram zout opgelost.

b)

In 100 gram water zit 16 gram zout opgelost.

39.

Hoe ontstaat een wolk?

a)

Door het verdampen van water.

b)

Door het condenseren van water.

c)

Door het sublimeren van water.

d)

Door het stollen van water.

40.

Welk begrip kun je koppelen aan het plaatje?

(a)  

41.

Welk begrip kun je koppelen aan dit plaatje?

(a)  

42.

Wat is een voorbeeld van een abiotische factor?

a)

A4-papier

b)

Dood konijn

c)

Water

d)

Zuurstof

e)

Boom

43.

Wat is een voorbeeld van een biotische factor?

a)

Plastic fles

b)

Zuurstof

c)

Konijnenkeutels

d)

A4-papier

e)

Schimmels

44.

Op de afbeelding is een voorbeeld van een ... te zien.

a)

populatie

b)

levensgemeenschap

c)

individu

d)

biotoop

e)

ecosysteem

45.

De suikerconcentratie van cola is 10,4%. Je hebt een fles met daarin 470 gram cola. Wat komt er op plek 1 van de kruistabel te staan?

(a)  

46.

De suikerconcentratie van cola is 10,4%. Je hebt een fles met daarin 470 gram cola. Wat komt er op plek 2 van de kruistabel te staan?

(a)  

47.

De suikerconcentratie van cola is 10,4%. Je hebt een fles met daarin 470 gram cola. Wat komt er op plek 3 van de kruistabel te staan?

(a)  

48.

De suikerconcentratie van cola is 10,4%. Je hebt een fles met daarin 470 gram cola. Wat komt er op plek 4 van de kruistabel te staan?

(a)  

49.

Wat zijn regels bij het maken van een grafiek?

a)

Werk met potlood.

b)

Teken dikke, goed zichtbare punten.

c)

Teken een vloeiende lijn.

d)

Geef de grafiek een titel.

e)

Schrijf de grootheden en eenheden bij de assen.

50.

Op de afbeelding is een groep schapen te zien. Dit is een voorbeeld van een ...

a)

individu

b)

populatie

c)

levensgemeenschap

d)

biotoop

e)

ecosysteem

51.

Op de afbeelding is een wei te zien waar schapen, kippen en geiten rondlopen. Dit past bij het begrip ...

a)

individu

b)

populatie

c)

levensgemeenschap

d)

ecosysteem

e)

biotoop

52.

Op de afbeelding zijn verschillende dieren te zien. Het is er lekker warm en het waait. Dit past het beste bij het begrip ...

a)

individu

b)

populatie

c)

levensgemeenschap

d)

ecosysteem

e)

biotoop

53.

Welk voedselketen wordt juist weergegeven?

a)

eikenboom --> krekel --> lieveheersbeestje --> merel

b)

eikenboom <-- krekel <-- lieveheersbeestje <-- merel

54.

Wat wil een pijl in een voedselketen en voedselweb zeggen?


Voorbeeld: eikenboom --> krekel

a)

eikenboom wordt gegeten door krekel

b)

eikenboom eet krekel

55.

Noem het begrip dat bij de volgende omschrijving past:


zeewater - verdamping - condenseren - neerslag

(a)  

56.

Noem het begrip dat bij de volgende omschrijving past:


zeewater - verdamping - condenseren - neerslag - opslag - afstroming

(a)  

57.

Wat is het symbool voor de eenheid van massa?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

58.

Wat is het symbool voor de eenheid van volume?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

59.

Wat is het symbool voor de eenheid van inhoud?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

60.

Wat is het symbool voor de eenheid van dichtheid?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

61.

Wat is het symbool voor de eenheid van temperatuur?

a)

g en kg

b)

cm3 en m3

c)

ml, cl en dl

d)

g per cm3

e)

°C

62.

Wat is het symbool voor de grootheid van massa?

a)

m

b)

V

c)

I

d)

p

e)

T

63.

Wat is het symbool voor de grootheid van volume?

a)

m

b)

V

c)

I

d)

p

e)

T

64.

Wat is het symbool voor de grootheid van inhoud?

a)

m

b)

V

c)

I

d)

p

e)

T

65.

Wat is het symbool voor de grootheid van dichtheid?

a)

m

b)

V

c)

I

d)

p

e)

T

66.

Wat is het symbool voor de grootheid van temperatuur?

a)

m

b)

V

c)

I

d)

p

e)

T

67.

Wat is een grootheid?

(a)  

68.

Wat is een eenheid?

(a)  

69.

Op de afbeelding is schematisch een doorsnede van een emmer afgebeeld. Hoe noemen we in scheikundige term het blauwgekleurde gedeelte?

(a)  

70.

Op de afbeelding is schematisch een doorsnede van een emmer afgebeeld. Hoe noemen we in scheikundige term het blauwgekleurde gedeelte?

(a)  

71.

Welke twee instrumenten gebruik je om het volume te bepalen?

a)

liniaal

b)

balans

c)

maatcilinder

d)

weegschaal

72.

Een maatcilinder is met 13 ml water gevuld. Nadat er een sleutel in wordt gedaan stijgt het water naar 17,5 ml in de maatcilinder. Wat is het volume van de sleutel?

a)

4,5 ml

b)

3,5 ml

c)

3,5 cm3

d)

4,5 cm3

73.

Typ de formule van volume.

V = (a)   = cm3

74.

Een gum heeft de volgende afmetingen: 5 cm x 2,5 cm x 1 cm.

Wat is het volume van de gum?

(a)  

75.

Hiernaast is een hulpmiddel voor het berekenen van de dichtheid van een stof te zien. Welke grootheid komt er op plek 1 te staan?

(a)  

76.

Hiernaast is een hulpmiddel voor het berekenen van de dichtheid van een stof te zien. Welke grootheid komt er op plek 2 te staan?

(a)  

77.

Hiernaast is een hulpmiddel voor het berekenen van de dichtheid van een stof te zien. Welke grootheid komt er op plek 3 te staan?

(a)  

78.

Wat is demiwater?

a)

Water zonder mineralen.

b)

Water met mineralen.

c)

Water met een beetje mineralen.

79.

Waar staat de eerste G in 'GGFO' voor?

a)

Gegeven

b)

Gevraagd

c)

Geantwoord

d)

Genoteerd

e)

Getoond

80.

Waar staat de tweede G in 'GGFO' voor?

a)

Gegeven

b)

Gevraagd

c)

Geantwoord

d)

Genoteerd

e)

Getoond

81.

Waar staat de F in 'GGFO' voor?

a)

Femule

b)

Formule

c)

Faseren

d)

Flaneren

82.

Waar staat de O in 'GGFO' voor?

a)

Onthouden

b)

Oplossing

c)

Oriënteren

d)

Overeenkomst

83.

Welke van de onderstaande zinnen behoort of behoren in de eerste G van 'GGFO'?

a)

V = ?

b)

m = 6 g, p = 7 g/cm3

c)

V = m : p

d)

V = 0,86 cm3

e)

V = 6 g : 7 g/cm3

84.

Welke van de onderstaande zinnen behoort of behoren in de tweede G van 'GGFO'?

a)

V = ?

b)

m = 6 g, p = 7 g/cm3

c)

V = m : p

d)

V = 0,86 cm3

e)

V = 6 g : 7 g/cm3

85.

Welke van de onderstaande zinnen behoort of behoren in de F van 'GGFO'?

a)

V = ?

b)

m = 6 g, p = 7 g/cm3

c)

V = m : p

d)

V = 0,86 cm3

e)

V = 6 g : 7 g/cm3

86.

Welke van de onderstaande zinnen behoort of behoren in de O van 'GGFO'?

a)

V = ?

b)

m = 6 g, p = 7 g/cm3

c)

V = m : p

d)

V = 0,86 cm3

e)

V = 6 g : 7 g/cm3

87.

Kies de juiste formule voor 'massa'.

a)

m = V x p

b)

m = V : p

c)

m = p : V

d)

m = v x p

e)

M = v : p

88.

Kies de juiste formule voor 'volume'.

a)

V = m x p

b)

V = m : p

c)

V = m : V

d)

V = p x m

e)

v = m : p

89.

Kies de juiste formule voor 'dichtheid'.

a)

p = m x V

b)

p = m : V

c)

P = m : V

d)

p = v x m

e)

P = m : V