Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Schaarste, Geld en Handel en verdieping Geld

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Stelling: de functies 'betaalmiddel' en 'ruilmiddel' van geld zijn eigenlijk hetzelfde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

2.

Schaarste is

a)

spanningsveld tussen onbegrensde behoeften en beperkt aanwezige middelen

b)

spanningsveld tussen beperkte behoeften en onbeperkt aanwezige middelen

c)

dat er weinig van iets is

d)

feit dat middelen gebruikt kunnen worden in verschillende aanwendingsrichtingen

3.

Een budgetlijn is

a)

lijn van alle mogelijke productcombinaties die maximaal kunnen worden gekocht met een gegeven budget

b)

lijn van alle mogelijke productcombinaties die minimaal kunnen worden gekocht met een gegeven budget

c)

lijn van alle mogelijke productcombinaties die maximaal gekocht kunnen worden, ongeacht of het budget meer of minder wordt

d)

lijn van alle mogelijke productcombinaties die de producent kan produceren, rekening houdend met zijn arbeidsproductiviteit

4.

De formule voor een procentuele verandering is

a)

(nieuw-oud)/oud x 100

b)

(oud-nieuw)/nieuw x 100

c)

(deel/geheel) x 100

d)

(nieuw-oud)/nieuw x 100

5.

De formule om een indexcijfer uit te rekenen is

a)

jaar/basisjaar x 100

b)

jaar/basisjaar x 100%

c)

basisjaar/jaar x 100

d)

basisjaar/jaar x 100%

6.

Arbeidsproductiviteit is

a)

de productie per arbeidskracht per tijdseenheid

b)

de productie van een bedrijf per tijdseenheid

c)

de productie per arbeidskracht

d)

de productie die een bedrijf maximaal in een tijdseenheid kan maken

7.

Specialisatie is

a)

het toeleggen op een afgebakend onderdeel van de productie

b)

een speciale opleiding volgen waardoor je ergens beter in wordt

c)

speciale machines aanschaffen waardoor de arbeidsproductiviteit verhoogd wordt

d)

je op speciale klantengroepen richten waardoor de kosten per product naar beneden kunnen

8.

Een ruilverhouding is

a)

de waarde van een middel uitgedrukt in eenheden van een ander middel

b)

de behoefte om te ruilen omdat door specialisatie ruilen noodzakelijk is geworden

c)

de verhouding tussen enerzijds de behoeften en anderzijds de middelen

d)

de noodzaak om te ruilen door de schaarste van de aanwezige middelen

9.

Inflatie is

a)

een stijging van het algemene prijspeil door de tijd

b)

een stijging van alle prijzen door de tijd

c)

een daling van het algemene prijspeil door de tijd

d)

het veranderen van de intrinsieke waarde van de munt door het stijgen van het algemene prijspeil

10.

De intrinsieke waarde van geld is

a)

de waarde die op het geld staat

b)

de waarde van het materiaal waarvan het geld gemaakt is

c)

de koopkracht van het geld

d)

de hoeveelheid buitenlands geld dat je voor het geld krijgt

11.

De interne waarde van geld is

a)

de waarde die op het geld staat

b)

de waarde van het materiaal waarvan het geld gemaakt is

c)

de koopkracht van het geld

d)

de hoeveelheid buitenlands geld dat je voor het geld krijgt

12.

De formule voor het berekenen van de koopkracht is

a)

indexcijfer interne waarde = (indexcijfer nominale waarde/indexcijfer prijzen) x 100

b)

indexcijfer interne waarde = (indexcijfer prijzen/indexcijfer nominale waarde) x 100

c)

indexcijfer nominale waarde = (indexcijfer interne waarde/indexcijfer prijzen) x 100

d)

indexcijfer nominale waarde = (indexcijfer prijzen/indexcijfer interne waarde) x 100

13.

De budgetlijn in het plaatje verschuift omdat ..?...

a)

Het budget stijgt

b)

De prijs van x stijgt

c)

De prijs van y daalt

d)

Het budget daalt

14.

Welke van de volgende begrippen is (of zijn) NIET van toepassing op bankbiljetten?

a)

Chartaal geld

b)

Giraal geld

c)

Wettig betaalmiddel

d)

Fiduciair geld

e)

Ruilmiddel

15.

je ziet hier een afbeelding van chartaal geld

a)

waar

b)

niet waar

16.

Marsha heeft € 3.600 op een spaarrekening staan De rente is 2,8%. Welke bedrag ontvangt Marsha na twee jaar?

a)

€ 38,04

b)

€ 100,80

c)

€ 201,60

d)

€ 302,40

17.

Het saldo op je bankrekening, je rekening courant tegoed, het saldo op je lopende rekening en je girale tegoed zijn allemaal verschillende namen voor hetzelfde.

a)

Dit is juist

b)

Dit is onjuist

18.

Wat is GEEN primaire bank?

a)

ABN AMRO bank

b)

Een commerciële, geldscheppende bank

c)

Een niet-geldscheppende spaarbank.

d)

Rabobank

19.

De prijs van het product op de horizontale as van een budgetlijn daalt. Hierdoor....

a)

Schuift de budgetlijn in zijn geheel naar rechts

b)

Schuift de budgetlijn in zijn geheel naar links

c)

Verandert de budgetlijn niet

d)

Roteert de budgetlijn naar buiten

e)

Roteert de budgetlijn naar binnen

20.

Autarkie is

a)

een vorm van directe ruil

b)

een vorm van indirecte ruil

c)

een ander woord voor geldschepping

d)

een economie waarin geen ruil plaatsvindt

e)

een ander woord voor arbeidsdeling

21.

Kies het beste antwoord. Een institutie

a)

is een manier om ruil te vergemakkelijken

b)

draagt bij aan lagere transactiekosten

c)

draagt bij aan het verhogen de welvaart

d)

Alle drie de andere opties zijn waar

22.

Het liquiditeitspercentage van deze bank is afgerond

a)

2,12%

b)

9,81%

c)

1,93%

d)

8,95%

23.

Het minimale dekkingspercentage moet 30% zijn. Bereken op basis van de (gedeeltelijke) bankbalans hoeveel geld deze bank chartaal kan verstrekken.

a)

€ 150.000

b)

€ 500.000

c)

€ 250.000

d)

€ 0

e)

€ 100.000

24.

Het minimale dekkingspercentage moet 30% zijn. Bereken op basis van de (gedeeltelijke) bankbalans hoeveel geld deze bank giraal kan verstrekken.

a)

€ 150.000

b)

€ 500.000

c)

€ 250.000

d)

€ 0

e)

€ 1.000.000

25.

Stelling: De maatschappelijke geldhoeveelheid neemt toe als gezinnen hun rekening courant tegoed omzetten in chartaal geld

a)

Dit is juist

b)

Dit is onjuist

26.

In Nederland kennen we de volgende geldscheppende instellingen

a)

primaire banken en secundaire banken

b)

de staat en institutionele beleggers

c)

primaire banken en de staat

d)

secundaire banken en institutionele beleggers

e)

de staat en secundaire banken

27.

Welke van de onderstaande stellingen is waar?

a)

Autarkie verhoogt de welvaart in een land

b)

Ruilen verhoogt de welvaart in een land

c)

Deflatie is goed voor de economie

d)

Hyperinflatie is goed voor de economie

e)

Instituties vergroten de belemmeringen voor ruil

28.

Welke stelling is juist?

a)

Specialisatie leidt tot autarkie

b)

Specialisatie leidt tot arbeidsdeling

c)

Specialisatie leidt tot een lagere geldhoeveelheid

d)

Specialisatie wordt pas sinds enkele tientallen jaren toegepast

29.

Volgens de Wet van Gresham...

a)

Verdrijft goed geld slecht geld van de markt

b)

Verdrijft slecht geld goed geld van de markt

c)

Heeft geld vier functies in het economisch verkeer

d)

Is de geldhoeveelheid afhankelijk van de omloopsnelheid, het aantal transacties in de economie en het prijsniveau