wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4V Inleiding Max

Total questions: 30

Worksheet time: 32mins

Name
Class
Date
1.
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
a)
Niks
b)
Een glas water
c)
Een glaswater met opgelost een vergelijkbaar tabletje
d)
Een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
2.
Iemand die onderzoek doet naar fossielen is bezig onderzoek te doen op het grensgebied van biologie en geologie. Hoe noemt men dit grensgebied?
a)
Biofysica
b)
Paleontologie
c)
Biochemie
d)
Aardbiologie
3.
Wat is een voorbeeld van een populatie?
a)
Alle konijnen op Schiermonnikoog
b)
De beplanting in een naaldbos
c)
Alle organismen in een vijver
d)
Een leeuwin met twee welpen op de savanne
4.
Manfred onderzoekt en benoemt alle waterdiertjes in de vijver om hier vervolgens een voedselweb van te maken.
Is dit een beschrijvend of een hypothesetoetsend onderzoek?
a)
Beschrijvend
b)
Hypothesetoetsend
5.

Wanneer je een skelet van een kip bestudeert ben je bezig op het niveau van een.,,,

a)

Weefsel

b)

Orgaan

c)

Orgaanstelsel

d)

Organisme

6.
Tijdens een snelheidscontrole vergeet agent Karel zijn meetapparatuur te ijken, waardoor elke automobilist telkens 5% sneller blijkt te rijden.
Is dit onderzoek niet betrouwbaar of niet valide?
a)
Niet betrouwbaar
b)
Niet valide
7.

Wanneer de bloedsomloop stilvalt, kan het hart door een verpleegkundige worden gereanimeerd. Een menselijk hart bestaat uit verschillende weefsels. Hieronder staan twee eigenschappen van een menselijk hart:

  1. - Het hart pompt bloed rond
  2. - Het hart bestaat uit cellen

Welke van deze eigenschappen is een emergente eigenschap op het niveau orgaan?

a)

Geen van beide eigenschappen

b)

Alleen eigenschap 1

c)

Alleen eigenschap 2

d)

Beide eigenschappen

8.

Wat is de functie van de kern?

a)

energiemotor

b)

regelaar, door DNA

c)

kernplasma vervoeren

d)

bezit de erfelijke informatie

9.

Wat is de functie van Endoplasmatisch reticulum (ER)?

a)

transport van stoffen in de cel

b)

transport van stoffen naar buiten de cel

c)

aanmaak eiwitten

d)

stevigheid geven aan een cel

10.

Wat is de functie van een ribosoom?

a)

Aanmaak van eiwtten

b)

stevigheid geven aan de cel

c)

energiemotor

d)

vervoer van stoffen in een cel

11.

Wat is de functie van het golgi systeem?

a)

Vervoer van eiwitten naar buiten de cel

b)

aanmaak eiwitten

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

aanmaak lysosomen

12.

Wat is de functie van lysosomen?

a)

afbreken van stoffen

b)

energiemotor

c)

vervoer van stoffen in een cel

d)

fotosynthese bedrijven

13.

Wat is de functie van een mitochondrium?

a)

energiemotor

b)

fotosynthese bedrijven

c)

aanmaak van ATP

d)

transport van stoffen in een cel

14.
Met welke microscoop is het volgende afbeelding gemaakt?
a)
SEM
b)
TEM
c)
Lichtmicroscoop
15.
Waarom is de celmembraan een actief bestanddeel van de cel?
a)
Vanwege het transport regeling van stoffen tussen de celinhoud en de omgeving.
b)
Omdat het een levend organel is en de cel beschermt
c)
Want het zit om de cel heen
d)
idk
16.

Het celmembraan van een plantencel is omgeven door een vezelachtige structuur die zorgt voor de vorm en de stevigheid van de cel. Welke celorganel is dit?

a)

kernmembraan

b)

cytoskelet

c)

centrosoom

d)

celwand

17.

In dit celorganel worden allerlei stoffen (eiwitten, suikers, vetten) aangevoerd, omgebouwd, verpakt en terug afgevoerd.

a)

lysosoom

b)

vacuole

c)

endoplasmatisch reticulum

d)

golgi complex

18.

Waar is de concentratie aan kleurstof het laagst?

a)

Op de bodem van het glas.

b)

In de kleurstof zelf.

c)

Aan het wateroppervlak van het glas.

d)

In het midden van het glas.

19.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____ .

a)

Osmose omdat de opgeloste stof zich verplaatst

b)

Osmose omdat de opgeloste stof en het oplosmiddel zich verplaatsen

c)

Diffusie omdat alleen de opgeloste stof zich verplaatst

d)

Diffusie omdat de opgeloste stof en het oplosmiddel zich verplaatsen

20.

Wat zijn de verschillen tussen diffusie en osmose?

a)

Bij duffusie gebeurt het transport van het oplosmiddel, bij osmose wordt de opgeloste stof getransporteerd.

b)

Bij osmose zal het oplosmiddel zich verplaatsen maar bij diffusie ook de opgeloste stof.

c)

Bij osmose kunnen niet alle stoffen door het membraan, bij diffusie wel.

d)

Het transport van een hoge naar een lage concentratie aan opgeloste stoffen komt voor bij diffusie, het omgekeerde bij osmose.

e)

Bij diffusie zal het transport van een lage naar een hoge concentratie aan opgeloste gebeuren, bij osmose het omgekeerde.

21.

Wanneer spreekt men van een semi-permeabel membraan? Als het membraan ...

a)

alle stoffen doorlaat

b)

enkel water doorlaat

c)

sommige stoffen wel en andere niet doorlaat

d)

rond een dierlijke cel zit

22.

Welke rode bloedcel hoort in welke beker?

a)

1A-2B-3C

b)

1A-2C-3B

c)

1B-2A-3C

d)

1B-2C-3A

e)

1C-2A-3B

23.

(bron figuur https://www.natuurmonumenten.nl/kinderen/van-kikkerdril-tot-kikker)

Als je kikkerdril (eieren van de kikker) dat je gevonden hebt in een vijvertje in je zoutwateraquarium zou plaatsen, wat zal er dan met de eitjes gebeuren?

a)

De eitjes drogen uit

b)

zout zal de eitjes verlaten

c)

de eitjes barsten

d)

water zal de eitjes niet in- of uitgaan

24.

juist of fout: Osmose is het proces waarbij stoffen door een semi-permeabel membraan worden uitgewisseld.

a)

fout, er worden enkel stoffen de cel in getransporteerd

b)

juist

c)

fout, enkel het oplosmiddel wordt uitgewisseld

d)

fout, enkel de opgeloste stof wordt uitgewisseld

25.

juist of fout: De snelheid van diffusie en van osmose zal toenemen als de temperatuur verhoogt wordt.

a)

juist, omdat alle moleculen sneller gaan bewegen door toenemende temperatuur

b)

fout, omdat dit enkel geldt voor diffusie

c)

fout, omdat het bij osmose omgekeerd is

d)

juist, omdat bij diffusie en osmose dezelfde stoffen getransporteerd worden.

26.

Tijdens een experiment wordt een dialyseslang ( = semi-permeabel membraan) gevuld met een waterige oplossing die 3% zetmeel en 3% glucose bevat. Daarna wordt deze in een beker met gedemineraliseerd water gelegd (zie afbeelding). Na 3 uur wordt er een waarneming gedaan. Wleke uitspraak past bij deze waarneming?

a)

Water verplaatst zich via osmose van de beker doorheen de dialyseslang.

b)

De concentratie aan zetmeel en glucose is gelijk, zowel in de dialyseslang als in de beker.

c)

Zetmeel moleculen verplaatsen zich doorheen de dialyseslang naar de beker.

d)

Water verplaatst zich via diffusie doorheen de dialyseslang naar de beker.

27.

Deze afbeelding is een voorbeeld van _____.

a)

actief transport

b)

passief transport

c)

diffusie

d)

osmose

28.

Wanneer Joris verlepte sla in water legt, merkt hij dat de sla opnieuw fris en knapperig wordt. Verklaar zijn waarneming.

a)

De cellen van de sla nemen water op door actief transport.

b)

De cellen van de sla nemen water op door osmose.

c)

De cellen van de sla nemen zout op door diffusie.

d)

De cellen van de sla geven water of door osmose.

29.

Zuurstof wordt via longblaasjes opgenomen in het bloed. Dit is een voorbeeld van _____.

a)

osmose

b)

diffusie

30.

Een aardappelschijfje wordt in een beker met gedemineraliseerd water gelegd. Na een dag wordt het aardappelschijfje uit de beker gehaald. Welke uitspraak is hier van toepassing?

a)

De massa van het aardappelschijfje is toegenomen.

b)

De massa van het aardappelschijfje is onveranderd.

c)

De massa van het aardappelschijfje is afgenomen.

d)

Geen van de bovenstaande uitspraken is correct.