wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grote natuurlandschappen op aarde

Total questions: 47

Worksheet time: 42mins

Name
Class
Date
1.
Wat is stijgingsregen ?
a)
regen die stijgt
b)
 regen die door opstijgende warme lucht ontstaat
c)
wolken die langs een berg komen en moeten stijgen
2.
Wat is een tropisch klimaat  ?
a)
warm maar 's nachts heel koud.
b)
koude gebieden met veel regen.
c)
warme gebieden, met heel veel zon.
d)
gebieden met warme lucht, die rond de evenaar liggen. en waar veel regen valt
3.
Wat is een zeeklimaat ?
a)
warme winter, warme zomer
b)
warme winter, koele zomer, weinig regen
c)
koude winter, warme zomer, weinig regen
d)
zachte winter, koele zomer, veel regen
4.
Meridianen lopen van pool tot pool. Deze zin is....
a)
Juist
b)
Onjuist
5.

Wat tonen de blauwe staafjes aan?

a)

Neerslag

b)

Temperatuur

c)

Groeimaanden

6.

Het klimaat wordt bekeken over een periode van ...?

a)

30 jaar

b)

1 jaar

c)

10 jaar

d)

5 Jaar

7.
De breedtecirkel van 0 graden die de aarde verdeelt in een noordelijk en een zuidelijk halfrond
a)
De middellijn
b)
De 0˚ lijn over Greenwich
c)
De 0˚ deellijn
d)
Evenaar
8.
De hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken.
a)
A. De zomerstand van de aarde
b)
B. De winterstand van de aarde
c)
C. De zonnewende
d)
D. Invalshoek van de zon
9.
Regen die ontstaat als het heel warm is en er veel water verdampt en opstijgt.
a)
Stuwingsregen
b)
Stijgingsregen
c)
Frontale regen
d)
Warmtefront
10.
Een klimaat waarin de tempratuur altijd hoger is dan 18 graden en het hele jaar door veel regen valt.
a)
Woestijnklimaat
b)
Tropisch regenwoudklimaat
c)
Steppeklimaat
d)
Middellands zeeklimaat
11.
Welk klimaat lees je af in deze klimaatgrafiek
a)
Tropisch klimaat
b)
Savanneklimaat
c)
Gematigd zeeklimaat 
d)
Steppeklimaat 
12.
De plek waar de zon recht instraalt en een klein oppervlak verwarmt is de......
a)
Hoge breedte
b)
Lage breedte
13.
Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het weer?
a)
Neerslag en temperatuur
b)
Neerslag en wind
c)
Wind en temperatuur
d)
Neerslag en luchtdruk
14.
'In de Sahara is het droog' is een uitspraak die hoort bij het:
a)
Weer
b)
Klimaat
15.
'In de Sahara is het droog' is een uitspraak die hoort bij het:
a)
Weer
b)
Klimaat
16.

Waar liggen de tropische regenwouden?

a)

Op lage breedte

b)

Op hoge breedte

17.

Welk landschapstype zie je hieronder?

a)

Steppe

b)

Woestijn

c)

Taiga

d)

Savanne

18.

Welk klimaat zie je in de klimaatdiagram?

a)

Poolklimaat

b)

Gematigd klimaat

c)

Taiga klimaat

d)

Tropisch klimaat

19.

Je ziet hier een ... (§2)

a)

tropisch regenwoud

b)

steppe

c)

woestijn

20.

Welke kenmerken horen bij tropische regenwouden? (§1)

a)

Het is er warm. Altijd warmer dan 18 graden Celsius.

b)

Bomen zijn het hele jaar groen.

c)

Het heeft een heterogeen bos.

d)

Er groeien alleen struiken.

e)

Het hele jaar door valt er veel neerslag.

21.

Welke twee verschillen zijn juist als we kijken naar steppe en de woestijn? (§2)

a)

Steppe valt minder neerslag dan in de woestijn

b)

Steppe valt meer neerslag dan in de woestijn

c)

Steppe kent geen begroeiing (planten en bomen)

d)

Steppe kent wel begroeiing, namelijk doornige struiken en grassen.

22.
Bij een lagedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
23.
Bij een hogedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
24.
Op 30 graden NB en ZB bevindt zich een:
a)
lagedrukgebied
b)
hogedrukgebied
25.
Een lagedrukgebied ontstaat door:
a)
opwarming
b)
afkoeling
26.
Wind waait aan het aardoppervlak van:
a)
hoge druk naar lage druk
b)
lage druk naar hoge druk
27.

Wat zijn de kenmerken van het tropisch regenwoud?

a)

Warm en vochtig gebied, veel soorten planten en bomen, etages, het hele jaar groen.

b)

Warm en droog gebied, veel soorten planten en bomen, etages, het hele jaar groen.

c)

Warm en vochtig gebied, weinig soorten planten en bomen, etages, er zijn seizoenen.

28.

Als de zon loodrecht staat op de steenbokskeerkring, is het zomer op het zuidelijk halfrond en winter op het noordelijk halfrond

a)

Juist

b)

Onjuist

29.

De breedteligging van een plaats op aarde heeft gevolgen voor

a)

De stand van de zon

b)

De temperatuur

30.

Een plaats op hoge breedte

a)

is koud (lage temperatuur) en ligt in de poolstreken

b)

is warm (hoge temperatuur) en ligt in de tropen

31.

Waarom is het droog in woestijnen?

a)

De lucht stijgt daar. Stijgende lucht koelt af en daarom is het droog

b)

De lucht daalt daar. Dalende lucht wordt warmer en wolken lossen op.

32.

Een ander woord voor oorspronkelijke plantengroei is

a)

cultuurgrond

b)

grond

c)

natuurlijke zone

d)

vegetatie

33.

Welke woorden horen bij het landbouwtype 'intensieve veeteelt'?

a)

rondtrekken

b)

stallen

c)

serre

d)

volle grond

e)

dieren op weilanden

34.

Welke woorden horen bij het landbouwtype 'extensieve veeteelt'?

a)

groenten

b)

herder

c)

akkers

d)

rondtrekken

e)

hokdieren

35.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'akkerbouw'?

a)
b)
c)
d)
e)
36.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'intensieve veeteelt'?

a)
b)
c)
d)
e)
37.

Welke foto hoort bij het landbouwtype 'extensieve veeteelt'?

a)
b)
c)
d)
e)
38.

Bepaal het vegetatietype: Bijna geen begroeiing door droogte

a)

toendra

b)

woestijn

c)

taiga

d)

steppe

39.

Bepaal het vegetatietype: Te droog om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

40.

Bepaal het vegetatietype: Te koud om bomen te laten groeien

a)

toendra

b)

hardbladige vegetatie

c)

taiga

d)

steppe

41.
Wanneer is iets hooggebergte?
a)
Als de meeste toppen boven de 500meter zijn
b)
Als de meeste toppen boven de 1000 meter zijn
c)
Als de meeste toppen boven de 1500 meter zijn
d)
Als de meeste toppen boven de 2500 meter zijn
42.

Een ander woord voor reliëf is

a)

Hoogte in het landschap

b)

Hoogvlakte in het landschap

c)

Hoogteligging in het landschap

d)

Hoogteverschil in het landschap

43.

een hoogtegordel is....

a)

de hoogte van je gordel in de auto

b)

de hoogte van een berg

c)

een gebied waar verschillende soorten bomen groeien

d)

een gebied waar dezelfde soort begroeiing te vinden is

44.

Bij welk antwoord staan de hoogtegordels van een berg in de goede volgorde? (van laag naar hoog)

a)

loofboom-naaldboom-rotsgordel-bergweige-eeuwige sneeuw

b)

eeuwige sneeuw-rotsgordel-bergweide-naaldboom-loofboom

c)

loofboom-naaldboom-bergweide-rotsgordel-eeuwige sneeuw

d)

loofboom-naaldboom-bergweide-eeuwige sneeuw-rotsgordel

45.

De Alpen zijn een voorbeeld van een?

a)

Een land

b)

Heuvellandschap

c)

Hooggebergte

d)

Een gelede kust

46.

In welk klimaat komen gletsjers voor?

a)

Hooggebergteklimaat

b)

Toendraklimaat

c)

Sneeuwklimaat

47.

Wat is de goede volgorde?

a)

Loofboomgrens, rotsgrens, alpenweide, naaldboomgrens

b)

Loofboomgrens, naaldboomgrens, alpenweide, rotsgrens

c)

Naaldboomgren, rotsgrens, loofboomgrens, alpenweide

d)

Rotsgrens, alpenweide, naaldboomgrens, loofboomgrens