wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Britse Rijk GS HAVO-5 (examen vanaf 2021) +HV +KA's

Total questions: 42

Worksheet time: 1hrs 23mins

Name
Class
Date
1.

Wat was de eerste Engelse kolonie in Noord-Amerika? Let op: we zoeken de naam van een groter gebied.

a)

New Plymouth

b)

New England

c)

Virginia

d)

Jamaica

2.

Waarom kwamen de Pilgrim Fathers naar Noord-Amerika?

a)

Omdat ze op zoek waren naar goud en specerijen.

b)

Omdat ze een zuivere calvinistische samenleving wilden stichtten

c)

Omdat ze de indianen wilden bekeren tot het christendom.

d)

Omdat ze in conflict waren met de Engelse koning,

3.

Wat is waar over de koloniën in Noord-Amerika?

a)

De noordelijke koloniën in Amerika waren in de17e eeuw veel winstgevender dan die in het Caribisch gebied.

b)

De zuidelijke kolonie waren gericht op nijverheid en landbouw en de noordelijke plantage koloniën waren gericht op export.

c)

De bevolking in de noordelijke kolonie groeide in de 17e eeuw veel harder dan die in het zuiden

d)

De Nederlandse koloniën in Noord-Amerika waren succesvoller dan de Britse koloniën

4.

Welke producten werden voornamelijk geëxporteerd door de Amerikaanse koloniën?

a)

Hout en graan

b)

Goud en zilver

c)

Koffie en thee

d)

Tabak en katoen

5.

De contacten tussen Britse kolonisten in Amerika en indianen..

a)

Waren rampzalig voor de indianen, ze werden vrijwel uitgeroeid door ziektes en moordpartijen

b)

Waren rampzalig voor de eerste kolonisten, ze werden besmet door allerlei onbekende ziektes

c)

Waren voor beide groepen zeer gunstig vanwege de ruilhandel en de groeiende welvaart

d)

Waren voor de eerste kolonisten van weinig belang.

6.

De Engelse koloniën in het Caribisch gebied...

a)

waren vooral suikerplantages die werkten met slaven

b)

waren groter dan de Spaanse koloniën

c)

lagen in Florida en Cuba

d)

waren vooral gericht op katoen en tabak

7.

De driehoekshandel van de Engelsen bestond uit schepen die voeren met

a)

Wapen uit Amerika naar Europa - plantageproducten naar Afrika - Slaven uit Afrika naar Amerika

b)

plantageproducten uit Afrika - met slaven uit Amerika - vervolgens wapen brachten uit Europa

c)

wapens en alcohol uit Europa - voor slaven en goud uit Afrika - die uit Amerika terugvoeren met tabak en suiker

d)

wapens uit Europa naar Amerika - plantagepsoducten uit Amerika naar Afrika - slaven en goud vanuit Afrika naar Europa

8.

Welke kenmerkende aspecten komen in "Brits kolonialisme in Amerika (1585-1833)" aan bod?

Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

a)

Het begin van de Europese overzeese expansie.

b)

De expansie van de christelijke wereld in de vorm van kruistochten.

c)

De hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke oudheid.

d)

De protestantse reformatie had splitsing van de christelijke kerk in West-Europa tot gevolg.

e)

Het begin van staatsvorming en centralisatie.

9.

Thomas Jefferson en George Washington zijn ook wel bekend als twee van de......

a)

Founding Fathers

b)

Pilgrim Fathers

c)

abolitionisten

d)

Mogols

10.

In 1765....

a)

werd het Verdrag van Allahabad gesloten

b)

riepen de V.S. de onafhankelijkheid uit

c)

vond in India een grote opstand plaats

d)

werd de Reform Bill in Groot-Brittannië ingevoerd

11.

Met ............ begon de bestuurlijke overheersing van India door Groot-Brittannië.

a)

de oprichting van de East India Company

b)

het ontstaan van de Royal Navy

c)

het Verdrag van Allahabad

d)

de troonsbestijging van prinses Victoria

12.

Waarom was er nauwelijks migratie vanuit Groot-Brittannië naar India?

a)

India was qua klimaat en cultuur een onaantrekkelijk land voor kolonisten, die niet konden aarden zo ver weg.

b)

Slechts een klein aantal Britse handelaars was nodig om via Indiase tussenpersonen de geproduceerde grondstoffen te bemachtigen.

c)

Dankzij de religieuze verschillen tussen hindoes en moslims kon geen overeenstemming worden bereikt over het te hanteren beleid.

d)

Koningin Victoria vaardigde een keizerlijk decreet uit waarin koloniale immigratie ten strengste werd afgeraden.

13.

Na de Indiase Opstand van 1857... (meerdere antwoorden mogelijk!)

a)

kwam het bestuur van India direct onder de Britse regering.

b)

trad Victoria af als keizerin van India.

c)

werd het Verdrag van Allahabad gesloten met Mogolvorst Sham Alam II van Bengalen.

d)

Werden legereenheiden van het Brits-Indische leger voortaan samengesteld uit meerdere regio's.

14.

Het Indian National Congress.......

a)

kende enkel hindoes als leden, waarbij andere religieuze achtergronden werden uitgesloten.

b)

kreeg door de jaren heen steeds mildere eisen, waaronder de totale onderwerping aan het Britse Rijk.

c)

kreeg door de jaren heen steeds radicalere eisen, waaronder uiteindelijk de onafhankelijkheid van India.

d)

kreeg aanvankelijk geen toestemming van de Britten voor jaarlijkse bijeenkomsten.

15.

Dankzij de openstelling van het Suezkanaal werd het mogelijk vanaf Groot-Brittannië via ........... naar India te varen.

a)

de Dode Zee

b)

de Kaspische Zee

c)

de Zwarte Zee

d)

de Rode Zee

16.

Dankzij de .......... werden kiesdistricten in GB anders ingedeeld.

a)

Factory Acts

b)

Reform Bill

c)

Spinning Jenny

d)

Boston Tea Party

17.

Dankzij de Industriële Revolutie ontstonden nieuwe sociale klassen, waaronder.... (meerdere antwoorden mogelijk!)

a)

vorsten

b)

arbeiders

c)

ondernemers

d)

abolitionisten

18.

Welk gevolg had de Industriële Revolutie voor Indiase thuiswevers?

a)

Zij vergrootten hun afzetgebied in de Indiase koloniale gebieden.

b)

Zij konden niet concurreren met de Engelse massaproductie.

c)

Zij werden in staat gesteld meer investeringen in hun bedrijf te doen.

d)

Zij wisselden enorme hoeveelheden goederen uit met het moederland.

19.

De Eerste Wereldtentoonstelling vond plaats in het jaar......

a)

1832

b)

1833

c)

1851

d)

1857

20.

Hoe stonden de meeste Britse ondernemers tegenover de Factory Acts?

a)

Positief, ze juichten kortere werktijden voor arbeiders van harte toe.

b)

Positief, veel ondernemers waren immers aanhanger van de principes van Robert Owen in het Schotse New Lanark.

c)

Negatief, zij waren boos over dit sterke overheidsingrijpen.

d)

Negatief, zij vonden dat arbeiders door deze maatregelen te veel afhankelijk van hen bleven.

21.

Na 1870 kreeg de Britse industrie te maken met sterke concurrentie vanuit vooral...

a)

Duitsland en Frankrijk

b)

de V.S. en Rusland

c)

de V.S. en Frankrijk

d)

Duitsland en de V.S.

22.

Welke 3 woorden missen in de rode balkjes (invullen: van boven naar onder)?

a)

Massachusetts, Roanoke, Jamestown

b)

Roanoke, Jamestown, Massachusetts

c)

Jamestown, Massachusetts, Roanoke

d)

Massachusetts, Jamestown, Roanoke

23.

Hoe heette het schip van de Pilgrim Fathers (eerste letter: M)?

(a)  

24.

Wat zijn de missende woorden bij "1" en "2"?

a)

1: Virginia, 2: Massachusetts

b)

1: Massachusetts, 2: Virginia

c)

1: Roanoke, 2: Barbados

d)

1: Jamestown, 2: Jamaica

25.

De Grote Rebellie betekende ook het einde van...

a)

het Brits-Indische Leger

b)

het Mogolrijk

c)

de EIC

d)

de regeerperiode van Queen Victoria

26.

Zet in de goede tijdsvolgorde (vroeg>laat): Factory Acts - Spinning Jenny - verbeterde stoommachine van Watt

a)

Spinning Jenny - Factory Acts - Watts stoommachine

b)

Watts stoommachine - Factory Acts - Spinning Jenny

c)

Spinning Jenny - Watts stoommachine - Factory Acts

d)

Factory Acts - Watts stoommachine - Spinning Jenny

27.

Wat is hier afgebeeld?

a)

Eerste Wereldtentoonstelling (Londen)

b)

New Lanark (Schotland)

c)

Boston Tea Party (Noord-Amerika)

d)

Spinning Jenny (Hargreaves)

28.

Vanaf wanneer verschoof het zwaartepunt van het Britse Rijk naar Brits-Indië?

a)

Vanaf eind 16de eeuw

b)

Vanaf eind 17de eeuw

c)

Vanaf eind 18de eeuw

d)

Vanaf eind 19de eeuw

29.

Wat past niet bij het Mogolrijk?

a)

Dreven geen enkele handel met de Britten

b)

Sinds 16de eeuw verenigd rijk in India

c)

Islamitisch

d)

Keizerrijk

30.

Wat was geen manier van Britse machtsuitbreiding in India?

a)

Verdragen sluiten

b)

Prinsen als gijzelaar nemen

c)

Militair ingrijpen

d)

Gehele gebied volledig veroveren

31.

In welke sector werd de stoommachine voor het eerst gebruikt?

a)

Landbouwsector

b)

Textielsector

c)

Mijnsector

d)

Staalsector

32.

Bij een vraag "Leg met behulp van de bron uit dat..." moet je:

a)

alleen een goede uitleg geven

b)

alleen correct naar de bron verwijzen

c)

correct naar de bron verwijzen en ook een goede uitleg geven

d)

alle gebeurtenissen chronologisch ordenen

33.

Bij een vraag over een afbeelding met boven- en onderschrift mag je...

a)

alleen informatie uit het plaatje gebruiken

b)

informatie uit het plaatje én uit het boven- en onderschrift gebruiken

c)

alleen informatie uit het boven- en onderschrift gebruiken

d)

alleen informatie uit het bovenschrift gebruiken

34.

Als iemands denken en handelen wordt bepaald door zijn/haar achtergrond (geloof, gezin, leeftijd, woonplaats, politieke ideeën etc.), spreken we van...

a)

betrouwbaarheid

b)

representativiteit

c)

standplaatsgebondenheid

d)

continuïteit

35.

Het tegenovergestelde van verandering is...

a)

representativiteit

b)

betrouwbaarheid

c)

standplaatsgebondenheid

d)

continuïteit

36.

Als een bron voor een grotere groep mensen of gebeurtenissen geldt, spreken we van...

a)

betrouwbaarheid

b)

representativiteit

c)

continuïteit

d)

oorzaak-gevolg

37.

Als een verslag van een gebeurtenis pas 50 jaar later is opgeschreven, maakt dit dat de bron minder ... wordt.

a)

betrouwbaar

b)

representatief

c)

feitelijk

d)

oorzaak-gevolg

38.

Welk kenmerkend aspect past bij deze afbeelding?

a)

De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving

b)

De crisis van het wereldkapitalisme (wereldcrisis)

c)

Discussies over de ‘sociale kwestie’

d)

De opkomst van emancipatiebewegingen: confessionalisme en feminisme

39.
Welk kenmerkend aspect past bij deze afbeelding?
a)
Het streven van vorsten naar absolute macht
b)
Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
c)
De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel – opzicht van de Nederlandse Republiek
d)
Handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
40.

Welk kenmerkend aspect past bij deze afbeelding?

a)

Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de – daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme

b)

De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, – socialisme, confessionalisme en feminisme

c)

Discussies over de ‘sociale kwestie’

d)

Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op – eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)

41.
Welk kenmerkend aspect past bij deze afbeelding?
a)
De crisis van het wereldkapitalisme (wereldcrisis)
b)
De opkomst van politiek-maatschappelijke stromingen: liberalisme, nationalisme, – socialisme, confessionalisme en feminisme
c)
De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over – grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap
d)
Het streven van vorsten naar absolute macht
42.

Welk kenmerkend aspect past bij deze afbeelding?

a)

De moderne vorm van imperialisme die verband hield met de industrialisatie

b)

De opkomst van emancipatiebewegingen: confessionalisme en feminisme

c)

De crisis van het wereldkapitalisme (wereldcrisis)

d)

Discussies over de ‘sociale kwestie’