wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bij de dokter

Total questions: 28

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

de schouder

a)
b)
c)
2.

de pink

a)
b)
c)
3.

Waar zit je enkel?

a)

tussen je nek en je arm

b)

tussen je knie en je voet

c)

tussen je schouder en je hand

4.

de kuit

a)
b)
c)
5.

Welke woord is een werkwoord (doe woord)

a)

het lichaam

b)

niezen

c)

de vinger

6.

Welke woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

Hoesten

b)

De huisarts

c)

Niezen

7.

Naar deze dokter ga je als eerste als je ziek bent

a)

de apotheek

b)

de huisarts

c)

het medicijn

8.

Wat zeg je tegen iemand die ziek is?

a)

Succes

b)

Welterusten

c)

Beterschap

d)

Smakelijk eten

9.

Wat kun je bij de apotheek kopen?

a)

fruit

b)

medicijnen

c)

schoenen

10.

Een lichaam

a)

twee lichaams

b)

twee lichaamen

c)

twee lichamen

11.

Wat is er aan de hand?

a)

Ik heb pijn in mijn rug.

b)

Ik wil graag eten kopen.

c)

Ik ben Hilde.

d)

Ik heb vijf vingers.

12.

Het bot

a)
b)
c)
d)
13.

Als mijn oog pijn doet, doe ik dit in mijn oog.

a)

de pil

b)

de zalf

c)

de druppel

14.

Welke vraag is goed? (doet + wie+ waar?)

a)

Gaat de man naar de apotheek?

b)

De man gaat naar de apotheek?

c)

De apotheek gaat de man?

15.
a)

de dokter

b)

de dochter

16.

Dokter, ik heb last van

a)

buikpijn

b)

hoofdpijn

17.

Dokter, ik heb last van

a)

oogpijn

b)

oorpijn

18.

Ik heb buikpijn.

a)
b)
c)
d)
e)
19.

Ik heb keelpijn.

a)
b)
c)
d)
e)
20.

Ik heb 38°C. Ik heb ...

a)

koud

b)

hoesten

c)

koorts

21.

Mijn vader rookt teveel. Hij moet vaak ...

a)

ziek

b)

wachtkamer

c)

hoesten

d)

apotheek

22.

In de ... bij de dokter liggen veel boeken om te lezen.

a)

ziek

b)

wachtkamer

c)

hoesten

d)

apotheek

23.

Ik heb geen honger. Ik ben ...

a)

hart

b)

ziektebriefje

c)

misselijk

d)

koorts

24.

Ze moet 3 ... per dag nemen met een glas water na elke maaltijd.

a)

dokter

b)

pillen

c)

hoofdpijn

d)

siroop

25.

Jij ... (hebben) rugpijn.

a)

hebt

b)

heeft

c)

heb

d)

is

26.

Ik heb pijn aan ... hoofd.

a)

mijn

b)

jouw

c)

zijn

d)

haar

27.

Hij heeft pijn aan ... tanden.

a)

mijn

b)

jouw

c)

zijn

d)

haar

28.

Ik heb pijn aan ... hoofd.

a)

mijn

b)

jouw

c)

zijn

d)

haar