Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zet het werkwoord in de juiste vorm

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Zet het werkwoord in de juiste vorm in tt

Hij … [lopen] naar zijn werk.

a)

loop

b)

loopt

c)

lopen

d)

liepte

2.

Zet het werkwoord in de tt en in de juiste vorm:

Megan ... [vinden] het jurkje niet mooi.

a)

vinden

b)

vond

c)

vind

d)

vindt

3.

juiste vorm én tt:

Eppo en ik … [durven] niet langs die hond.

a)

durven

b)

durvten

c)

durf

d)

durfde

4.

juiste vorm en tt:

Hoe … [komen] je nu verder?

a)

komen

b)

kom

c)

komt

d)

mok

5.

juiste vorm én tt:

Joeri … [ontkennen] dat hij verdrietig is.

a)

ontkende

b)

ontken

c)

ontkend

d)

ontkent

6.

juiste vorm én tt:

Faga en Ruwis … [zijn] vandaag niet op school.

a)

zijn

b)

waren

c)

zongen

d)

is

7.

juiste vorm en tt:

Op zondag …[mogen] de dobbelsteen niet rollen.

a)

mogen

b)

mocht

c)

mochten

d)

mag

8.

juiste vorm en tt:

Kippensoep … [hebben] ik nog nooit gemaakt.

a)

hebben

b)

heeft

c)

heb

d)

hebt

9.

juiste vorm en tt:

… [gaan] jij nog naar school?

a)

gaan

b)

gaat

c)

ging

d)

ga

10.

juiste vorm en tt:

Op een dag …[zitten] ik in mijn mooie nieuwe tuin.

a)

zit

b)

zitt

c)

zitte

d)

zitten

11.

NU VERLEDEN TIJD!!

Ik … [antwoorden] niet op die vraag.

a)

antwoordden

b)

antwoordde

c)

antwoordt

d)

antwoord

12.

juiste vorm en vt:

Hij … [branden] zijn vingers aan die pan.

a)

brande

b)

branden

c)

brandden

d)

brandde

13.

juiste vorm en vt:

Hij en ik … [zijn] geen vrienden.

a)

zijn

b)

was

c)

waren

d)

wezen

14.

juiste vorm en vt:

De dokter …[vertellen] me goed nieuws.

a)

vertelt

b)

vertelden

c)

vertldlde

d)

vertelde

15.

juiste vorm en vt:

Groningen …[zijn] vroeger een grote stad.

a)

was

b)

is

c)

waren

d)

zijn

16.

juiste vorm en vt:

Ik …[denken] niet meer aan jou.

a)

denk

b)

denkt

c)

dacht

d)

dachten

17.

juiste vorm en vt:

Het pand …[liggen] in een stille straat.

a)

liggen

b)

lagen

c)

ligt

d)

lag

18.

juiste vorm en vt:

Joris …[bidden] voor het eten.

a)

bidde

b)

bad

c)

bood

d)

bidt

19.

juiste vorm en vt:

Jochem en ik …[hebben] spijt.

a)

hebben

b)

had

c)

hadden

d)

haden

20.

juiste vorm en vt:

De spits …[lobben] de bal over het doel.

a)

lobt

b)

lob

c)

lobde

d)

lobte