wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Statistiek | diagrammen

Total questions: 15

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welke diagrammen horen bij kwalitatieve variabelen?

(vink alle juiste antwoorden aan)

a)

Staafdiagram

b)

Cirkeldiagram

c)

Steel-bladdiagram

d)

Spreidingsdiagram

e)

Lijndiagram

2.

Welke diagrammen horen bij kwantitatieve variabelen?

(vink alle juiste antwoorden aan)

a)

Infographic

b)

Histogram

c)

Frequentiepolygoon

d)

Boxplot

e)

Stroomdiagram

3.

Welke twee diagrammen zijn hier gecombineerd

a)

Lijndiagram en stroomdiagram

b)

Beeldiagram en lijndiagram

c)

Infographic en lijndiagram

d)

Lijndiagram en een staafdiagram

4.

Hoeveel kost een woning in het centrum van Bilthoven volgens dit diagram?

a)

ca. 500 000 euro

b)

Tussen 500 000 en 750 000 euro

c)

Tussen 750 000 en 1 000 000 euro

d)

Meer dan 1 000 000 euro

5.

Hoeveel procent van de totale bewezen olievoorraad zit in het Midden-Oosten?

(a)  

6.

Hoeveel kilometer fietsen we ongeveer per persoon in Nederland per jaar?

(a)  

7.

Hoe heet dit type diagram?

a)

Dotplot

b)

Frequentiepolygoon

c)

Boxplot

d)

Staafdiagram

8.

Hoeveel meisjes zijn er kleiner dan de kleinste jongen in dit diagram?

(a)  

9.

Bepaal de klassenbreedte van de eerste klasse.

(a)  

10.

De vier prognoses zijn gebaseerd op vier economische scenario’s. Bij welk scenario is het vergrijzingsprobleem het sterkst in Nederland?

a)

Scenario blauw

b)

Scenario groen

c)

Scenario oranje

d)

Scenario rood

11.

Er zijn 135 meisjes ondervraagd en 105 jongens over zakgeld. (Ga zelf even na of dat zo is)

Bepaal hoeveel procent van de jongens minder dan 5 euro zakgeld krijgt.

(a)  

12.

Je ziet hieronder de boxplot met sprinttijden van brugklassers.

In welk tijdsinterval liepen de 25 procent langzaamste leerlingen hun sprint?

a)

Tussen 8 en 8,75 seconden

b)

Tussen 8 en 9,25 seconden

c)

Tussen 8,75 en 9,5 seconden

d)

Tussen 9,5 en 11,25 seconden

13.

Hoeveel sporters deden er mee met dit onderzoek?

(a)  

14.

Hoeveel sporters hadden na de oefening een polsslag hoger dan 80?

(a)  

15.

Hiernaast staan de cijfers van een wiskundetoets en een natuurkundetoets. Welke toets had het hoogste gemiddelde? Probeer het uit te leggen waarom.

a)

wiskundetoets

b)

natuurkundetoets