wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Havo 4 begrippentoets thema 2

Total questions: 42

Worksheet time: 23mins

Name
Class
Date
1.

Bij welk proces treedt bij meiose op?

a)

bij de bevruchting

b)

bij de vorming van geslachtscellen

c)

bij ongeslachtelijke voortplanting

d)

bij de deling van bijvoorbeeld huidcellen

2.

Ratten en mensen zijn zoogdieren. De bouw van een celkern is bij alle zoogdieren in principe gelijk.

Van een bruine rat bevatten bepaalde cellen per kern in totaal 21 verschillende chromosomen.

Zijn deze cellen geslachtscellen of lichaamscellen? Of is dat niet te zeggen?

a)

geslachtscellen

b)

lichaamscellen

c)

dat is niet te zeggen

3.

In welke fase van de celcyclus vindt DNA-replicatie plaats?

a)

G1-fase

b)

S-fase

c)

M-fase

d)

G0-fase

4.

Welke van onderstaande beweringen is NIET waar?

a)

Bij celdeling door mitose ontstaat uit 1 moedercel 2 nieuwe dochtercellen

b)

De dochtercellen die door mitose ontstaan zijn identiek aan de oorspronkelijke moedercel

c)

Een dochtercel bevat direct na de mitose evenveel gram DNA als de moedercel vlak voor de mitose

d)

De mitose is een onderdeel van de celcyclus

5.

Een menselijke cel bevat 46 chromosomen. Een chromosoom bestaat uit 1 of 2 chromatiden.

Hoeveel chromatiden bevat een menselijke huidcel direct na de mitose?

a)

23

b)

46

c)

69

d)

92

6.

Waar hoort deze formule bij?

2n --> n + n

a)

mitose

b)

meiose 1

c)

meiose 2

d)

bevruchting

7.

Welke van onderstaande cellen is haploïd?

a)

eicel

b)

zygoot

c)

huidcel

d)

zenuwcel

8.

Zwangerschapstesten berusten op het aantonen van een hormoon, dat alleen aan het begin van zwangerschap gemaakt wordt.

Welk hormoon is dat?

a)

HCG

b)

progesteron

c)

oxytocine

d)

oestrogeen

9.

In de afbeelding is een cel schematisch weergegeven. In welke fase van de celcyclus is deze cel?

a)

M-fase

b)

S-fase

c)

G0-fase

d)

G1-fase

10.

De bron geeft schematisch de ontwikkeling van een eicel in een ovarium van een vrouw weer gedurende een bepaalde periode. De drie grafieken geven schematisch voor dezelfde periode het verloop weer van de concentraties van drie hormonen in het bloed.


Welk proces vindt plaats op tijdstip P?

a)

bevruchting

b)

menstruatie

c)

ovulatie

11.

Een jongen van 16 jaar krijgt kunstmatig oestrogeen toegediend. Welke van de volgende effecten kan hij verwachten?

a)

De lichaamsbeharing neemt toe

b)

De lichaamsbeharing neemt af

c)

De menstruatie stopt

d)

De stem wordt lager

12.

Als na de geboorte niet duidelijk is of een tweeling eeneiig of twee-eiig is, wordt soms wat bloed uit beide navelstrengen onderzocht. Met behulp van dit bloed kan gekeken worden of erfelijke eigenschappen (zoals bijv. bloedgroep) overeen komen. Bij zo'n onderzoek blijkt dat één van de baby’s bloedgroep A heeft en de ander bloedgroep B. Beide baby’s zijn meisjes.


Zijn deze twee meisjes een eeneiige of een twee-eiige tweeling? Of is dat niet te zeggen?

a)

een eeneiige tweeling

b)

een twee-eiige tweeling

c)

dat valt niet te zeggen

13.

In de afbeelding zie je de voorplantingsorganen van een vrouw.


waar vind de innesteling plaats?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S

14.

Welke beschrijving hoort bij het volgende begrip?

Eierstokken

a)

De organen van een man waarin de spermacellen geproduceerd worden.

b)

De organen van een vrouw waarin de eicellen geproduceerd worden.

c)

De organen van een vrouw waarin de eicellen rijpen.

d)

De organen van een vrouw waar innesteling plaatsvind.

15.

Welk begrip hoort bij de volgende beschrijving?

'Het proces waarbij het bolletje cellen dat na de bevruchting is ontstaan, zich in het baarmoederslijmvlies vastzet.'

a)

bevruchting

b)

innesteling

c)

oestrogeen

d)

hypofyse

16.

In de puberteit wordt een meisje vruchtbaar. Deze ontwikkelingen worden secundaire geslachtskenmerken genoemd.

Wat is de juiste volgorde van de volgende processen?


  1. eierstokken
  2. hypofyse
  3. oestrogeen
  4. secundaire geslachtskenmerken
a)

2-3-1-4

b)

2-1-3-4

c)

4-1-3-2

17.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Helmknop

b)

Helmdraad

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

18.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Vruchtbeginsel

b)

Bloembodem

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

19.

(Antwoord zo specifiek mogelijk.)

De blauwe pijl wijst naar...

a)

Vruchtbeginsel

b)

Bloembodem

c)

Stamper

d)

Stempel

e)

Stijl

20.

Bij ... is er nog geen contact tussen zaadcel en eicel.

a)

bestuiving

b)

bevruchting

21.

Nummer 1 is een voorbeeld van...

a)

zelfbestuiving.

b)

buurbestuiving.

c)

kruisbestuiving.

22.

Nummer 3 is een voorbeeld van...

a)

zelfbestuiving.

b)

buurbestuiving.

c)

kruisbestuiving.

23.

Geef het teken voor 'vrouwelijk'.

a)

b)

24.

Wat gebeurt er in de S-fase van de celcyclus?

a)

Het DNA wordt gerepliceerd

b)

De cel groeit en maakt eiwitten

c)

De chromatiden gaan uit elkaar

d)

Het celmembraan lost op

25.

Dit hormoon zorgt voor de ovulatie

a)

FSH

b)

LH

c)

Progesteron

d)

Oestrogeen

e)

Testosteron

26.
Waar ligt de hypofyse?
a)
Tussen beide hersenhelften
b)
Bij de nieren
c)
In het geslachtsorgaan
d)
Bij de schildklier
27.

Welke geslachtshormonen worden er door de hypofyse geproduceerd?

a)

GnRH, FSH en LH

b)

Testosteron

c)

FSH en LH

d)

GNrH, FSH, LH en testosteron

28.

Wat is een juiste omschrijving van de werking van GNrH?

a)

GnRH stimuleert de teelballen tot productie van testosteron

b)

Door GnRH ontstaan secundaire geslachtskenmerken

c)

GnRH stimuleert de teelballen tot productie van testosteron

d)

GnRH stimuleert de hypofyse tot productie van FSH en LH

29.
Wat is de functie van FSH bij de man?
a)
Stimuleert de vorming van zaadcellen
b)
Stimuleert de vorming van testosteron
c)
Beiden
d)
Geen van beiden
30.
Wat voor invloed heeft testosteron op de hypofyse?
a)
Stimulerend
b)
Remmend
c)
Hangt van de situatie af
d)
Testosteron beïnvloedt de hypofyse niet
31.

Waar zorgt LH voor bij de man?

a)

Stimuleert de aanmaak van testosteron door de teelballen

b)

Stimuleert de aanmaak van Sertollicellen

32.

Wat is de functie van FSH bij de vrouw?

a)

Stimuleert rijping follikel

b)

Zorgt voor secundaire geslachtskenmerken

c)

Zorgt voor productie progesteron

33.

Waar worden de spermacellen geproduceerd?

a)

teelballen

b)

bijballen

c)

prostaat

d)

zaadblaasje

34.

Waar worden de eicellen geproduceerd?

a)

baarmoeder

b)

eierstok

c)

eileider

d)

vagina

35.

Hoe wordt de eisprong ook wel genoemd?

a)

masturbatie

b)

ovulatie

c)

evolutie

d)

menstruatie

36.

Wat is de duur van de zwangerschap?

a)

35 weken

b)

39 weken

c)

40 weken

d)

28 weken

37.

Bij een gesteriliseerde vrouw rijpen er nog eicellen.

a)

Waar

b)

Niet waar

38.

Bij een sterilisatie wordt het volgende doorgeknipt/dichtgebonden

a)

Baarmoedermond

b)

Baarmoeder

c)

Eileider

d)

Eierstok

39.

Welk(e) voorbehoedsmiddel(len) bescherm(t)(en) tegen soa's

a)

Spiraal

b)

Condoom

c)

Sterilisatie

d)

Pil

e)

Vrouwencondoom

40.

De gewone pil ofwel 'combinatiepil' zitten twee hormonen. Welke twee?

a)

FSH

b)

LH

c)

Oestrogeen

d)

Progesteron

e)

HCG

41.

Bij een zwangerschapstest wordt de urine gecontroleerd op één hormoon. Welke is dit?

a)

Oestrogeen

b)

Progesteron

c)

HCG

d)

LH en FSH

e)

GnRH

42.

Rond welk van de momenten P, Q, R of S vindt de innesteling van een embryo plaats?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

S