wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve toets

Total questions: 43

Worksheet time: 24mins

Name
Class
Date
1.

Meestal krijgt een koe slechts één kalfje per jaar. Van erg 'goede' koeien wil men graag veel kalveren hebben. Door middel van een speciale techniek kan dat worden bereikt. Door toediening van een hormoon is het mogelijk om in een koe meer dan één eicel tegelijk te laten rijpen. Vervolgens wordt via kunstmatige inseminatie (KI) sperma in de baarmoeder gebracht, waarna bevruchting van de eicellen in de eileiders van de koe plaatsvindt. Op het moment dat de embryo's in de baarmoeder aankomen, wordt deze gespoeld en worden de embryo's opgevangen. Deze embryo's worden dan in andere koeien ingebracht waar ze zich verder ontwikkelen.

Je mag er van uit gaan dat de werking van hormonen bij runderen overeenkomt met die bij de mens.


Welk hormoon kan, na kunstmatige toediening, het rijpen van meer eicellen tegelijk bevorderen?

a)

FSH

b)

LH

c)

Oestradiol

d)

Progesteron

2.

Het komt voor dat een echtpaar geen kinderen kan krijgen, alhoewel zowel de man als de vrouw genoeg gezonde voorplantingscellen produceren. Het is tegenwoordig mogelijk de bevruchting buiten het lichaam van de vrouw te laten plaatsvinden. Men spreekt dan van IVF (in vitro fertilisatie). De vrouw wordt van te voren behandeld met een hormoon waardoor in de eierstokken tegelijkertijd een aantal eicellen tot volledige rijping komt. Deze eicellen worden operatief uit één van de eierstokken gehaald en buiten het lichaam van de vrouw bevrucht. Na bevruchting ontwikkelen zich morula's. Enkele van deze morula's worden in de baarmoeder van de betreffende vrouw ingeplant. Hoewel meestal enige morula's gelijktijdig worden ingeplant, is de kans op het ontstaan van zwangerschap lang geen 100%. Na 9 maanden kan een "reageerbuisbaby" op de normale wijze geboren worden.


Door de vrouw van te voren een hormoon toe te dienen, wordt de natuurlijke hormonale regulatie versterkt.

Wordt een hormoon toegediend dat werkt zoals FSH, zoals oestrogeen of zoals progesteron?

a)

Zoals FSH

b)

Zoals oestrogeen

c)

Zoals progesteron

3.

Een ongeboren kind is met de moeder verbonden door de navelstreng en placenta.

De bron geeft dit schematisch weer.


Welke van de stoffen aminozuren, eiwitten, hormonen, calciumionen, ureum en zuurstof bevinden zich in het bloed in een navelstrengader?

a)

Alleen aminozuren en eiwitten

b)

Alleen aminozuren en hormonen

c)

Alleen calciumionen, hormonen en ureum

d)

Alleen calciumionen, hormonen en zuurstof

e)

Alle genoemde stoffen

4.

Oxytocine zorgt als het ware voor de maaltijd van vandaag, prolactine voor de maaltijd van morgen. Prolactine bereikt zijn hoogste concentratie pas tegen het eind van de voeding, zodat de aanmaak van melk voor de volgende voeding meteen kan beginnen. Als deze prolactinepiek niet optreedt doordat de moeder niet zoogt, zal binnen een paar dagen geen melk meer gemaakt kunnen worden.


Er vier diagrammen weergeven waarin sterk vereenvoudigd mogelijkheden voor het verloop van de prolactineconcentratie in het bloed van een zwangere en zogende vrouw zijn getekend. De geboorte vindt plaats op tijdstip 0.

In welk van deze diagrammen is het verloop van de prolactineconcentratie getekend bij een vrouw die haar baby regelmatig zoogt?

a)

A

b)

B

c)

C

d)

D

5.

Hebben hormonen uit de hypofyse invloed op de weefsels zoals weergegeven in de bron? En hormonen uit de testis zelf?

a)

Alleen hormonen uit de hypofyse

b)

Alleen hormonen uit de testis zelf

c)

Zowel hormonen uit de hypofyse als hormonen uit de testis

6.

Bij een Franse vrouw werd een ernstige aandoening aan de eierstokken geconstateerd. Haar eierstokken werden daarom verwijderd. Tijdens de ingreep bleek dat zij zwanger was. De zwangerschap werd uitgedragen en er werd een gezond meisje geboren. Tijdens deze zwangerschap werden geen hormonen toegediend. Wel werd regelmatig het gehalte aan oestradiol in het bloed bepaald. De gegevens zijn weergegeven in bron 1. Ter vergelijking is ook het verloop van de oestradiolconcentratie van een andere vrouw met een normale zwangerschap weergegeven.


Twee beweringen over de invloed van oestradiol tijdens de zwangerschap zijn.

1 Oestradiol heeft geen directe invloed op het innestelingsproces.

2 Oestradiol heeft geen directe invloed op de embryonale ontwikkeling.

Is op basis van het diagram in bron 1 te bepalen of bewering 1 juist is? En is hiermee te bepalen of bewering 2 juist is?

a)

Nee, het is voor geen van beide te bepalen

b)

Het is alleen te bepalen voor bewering 1

c)

Het is alleen te bepalen voor bewering 2

d)

Ja, het is voor beide beweringen te bepalen.

7.

Als het baarmoederslijmvlies van een koe waarin een embryo wordt ingebracht in de juiste conditie is, zal het embryo zich innestelen.

Welk hormoon zorgt er vervolgens voor dat het ingenestelde embryo niet met het baarmoederslijmvlies wordt afgestoten?

a)

FSH

b)

LH

c)

Oestadiol

d)

Progesteron

8.

De spermacellen die de testisbuisjes verlaten, worden elders opgeslagen.

Waar worden de spermacellen vooral opgeslagen?

a)

In de bijballen

b)

In de prostaat

c)

In de zaadblaasjes

9.

n het lichaam van een volwassen vrouw kunnen de volgende ontwikkelingsstadia van een embryo voorkomen: blastula, tweecellig stadium, viercellig stadium en zygote.

Welk van deze ontwikkelingsstadia wordt of welke worden vrijwel nooit in de baarmoeder aangetroffen?

a)

Alleen een blastula

b)

Alleen een zygote

c)

Alleen een tweecellig stadium en een viercelligstadium

d)

Een tweecellig stadium, een viercellig stadium en een zygote

10.

Drie verklaringen worden geopperd voor de stijging van het gehalte aan oestradiol bij de vrouw waarvan de eierstokken zijn verwijderd.


1 De hypofyse van de moeder neemt de productie van oestradiol volledig over.

2 De placenta gaat vanaf omstreeks de derde maand oestradiol produceren.

3 De eierstokken van de baby nemen de productie van oestradiol van de moeder over.


Welke verklaring is het meest waarschijnlijk?

a)

1

b)

2

c)

3

11.

Vier uitspraken over de menstruatie bij de mens zijn:


1) menstruatie is het afstoten van een deel van het baarmoederslijmvlies,

2) menstruatie is het afstoten van een niet-bevruchte eicel,

3) menstruatie ontstaat doordat het ovarium de productie van een bepaald hormoon sterk verlaagt,

4) menstruatie ontstaat doordat het ovarium de productie van een bepaald hormoon sterk verhoogt.


Welke uitspraken zijn juist?

a)

2 en 4

b)

1 en 4

c)

1 en 3

d)

2 en 3

12.

Hoe heet het verschijnsel dat tijdens meiose nieuwe recombinaties van de chromosomen onstaan in het equatoriaalvlak?

(a)  

13.

Bij welk proces treedt bij de meeste dieren meiose op?

a)

bij de vorming van gameten

b)

bij ongeslachtelijke voortplanting

c)

bij versmelting van voortplantingscellen

d)

bij de delingen in de huid en andere organen

14.

Bij de vorming van gameten bij mannen ondergaan de zogenaamde spermamoedercellen meiose. De cellen die na de meiose ontstaan, ondergaan een differentiatie tot spermacellen.

Hoeveel spermacellen ontstaan uit één spermamoedercel?

Verandert bij de differentiatie het aantal chromosomen in de cel?

a)

4 spermacellen en het aantal chromosomen verandert niet

b)

4 spermacellen en het aantal chromosomen verandert

c)

1 spermacel en het aantal chromosomen verandert

d)

1 spermacel en het aantal chromosomen verandert niet

15.

Welk hormoon wordt door het ovarium in fase M in relatief grote hoeveelheden aan het bloed afgegeven?

a)

FSH

b)

LH

c)

Oestrogeen

d)

Progesteron

16.

Wat stimuleren FSH en LH bij de man?

a)

FSH stimuleert de vorming van zaadcellen en LH stimuleert de productie van testosteron

b)

FSH stimuleert de secundaire geslachtskenmerken en LH stimuleert de productie van testosteron

c)

FSH stimuleert de productie van testosteron en LH stimuleert de vorming van zaadcellen

d)

FSH stimuleert de secundaire geslachtskenmerken en LH stimuleert de vorming van zaadcellen

17.

Geslachtsorganen (examen 2004-I)

Cellen nemen uit het bloed stoffen op die worden gebruikt voor de synthese van celmateriaal. De opname van stoffen (per gram weefsel per maand) door cellen in verschillende organen van het voortplantingsstelsel van een vrouw van twintig jaar wordt vergeleken. De vrouw is niet in verwachting.

Enkele organen (van het voortplantingsstelsel) zijn: baarmoeder, eierstokken, eileiders en vagina.


In welk(e) van deze organen is de opname van stoffen voor de synthese van celmateriaal gemiddeld het grootst?

a)

baarmoeder

b)

eierstokken

c)

eileiders

d)

vagina

18.

Tijdens de embryonale ontwikkeling vinden klievingen plaats.

Waar vinden de eerste klievingen bij de mens plaats? Wordt het embryo door deze klievingen duidelijk groter?

a)

Klievingen vinden plaats in de eileider en het embryo wordt niet groter.

b)

Klievingen vinden plaats in de baarmoeder en het embryo wordt groter.

c)

Klievingen vinden plaats in de eileider en het embryo wordt groter.

d)

Klievingen vinden plaats in de baarmoeder en het embryo wordt niet groter.

19.

De geboorte komt opgang door een toename van een hormoon in het bloed van de zwangere vrouw.

Welk hormoon is dit?

a)

oxytocine

b)

progesteron

c)

prolactine

d)

HCG

20.

Enkele stadia waarin een cel van een mens zich kan bevinden zijn:

- p: de interfase voorafgaand aan mitose,

- q: de mitose,

- r: de interfase voorafgaand aan meiose I,

- s: de meiose I,

- t: het stadium tussen meiose I en meiose II,

- u: de meiose II.


In welk of in welke van deze stadia wordt al het DNA van een cel gerepliceerd?

a)

stadia q en s

b)

in stadia p, r en t

c)

alleen p en r

d)

alleen r

e)

alleen p

21.

Welke fase zie je hier?

a)

Interfase

b)

Profase

c)

Metafase

d)

Anafase

e)

Telofase

22.

Een menselijke cel bevat 46 chromosomen. Hoeveel chromatiden bevat de kern van een cel in de profase van de mitose? En hoeveel chromatiden bevat de kern van een cel in de profase van de meiose II?

a)

92; 46

b)

92; 92

c)

46; 92

d)

46; 46

23.

Wat is de juiste volgorde van de stadia?

a)

4 - 2 - 5 - 1 - 3

b)

2 - 1 - 3 - 5 - 4

c)

4 - 2 - 1 - 3 - 5

d)

2 - 1 - 5 - 3 - 4

24.

Wanneer vindt de DNA replicatie plaats?

a)

Tijdens de G1 fase

b)

Tijdens de S fase

c)

Tijdens de G2 fase

d)

Tijdens de profase

e)

Tijdens de anafase

25.

Welk nummer of welk van de nummers uit de figuur geven de meiose weer?

a)

Alleen 3

b)

Alleen 5

c)

Zowel 3 als 5

d)

Zowel 4 als 6

e)

Alleen 4

26.

Welke van de nummers uit de figuur geeft de S-fase aan?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

6

27.

Vier perioden in het leven van een mens zijn:

periode 1: de periode vóór de geboorte;

periode 2: de periode vanaf de geboorte tot de puberteit;

periode 3: de periode vanaf het einde van de puberteit tot de middelbare leeftijd

periode 4: de periode vanaf de middelbare leeftijd tot de dood.

In welk van deze perioden is regelmatig 1 poollichaampje aanwezig?

a)

Periode 1

b)

Periode 2

c)

Periode 3

d)

Periode 4

28.

Welke fase hoort bij het plaatje hiernaast?

a)

Interfase

b)

Profase

c)

Metafase

d)

Anafase

e)

Telofase

29.

In de afbeelding zijn delende cellen van een diploïd individu schematisch weergegeven. Voor dit individu geldt: 2n = 6.

Welk delingsproces kan zijn weergegeven in figuur 1? En welk in figuur 2?

a)

Figuur 1: alleen meiose I; figuur 2: alleen meiose II

b)

Figuur 1: alleen meiose I; figuur 2: alleen mitose

c)

Figuur 1: alleen meiose I; figuur 2: meiose I en mitose

d)

Figuur 1: meiose I en mitose; figuur 2: alleen meiose II

30.

Waar worden eicellen geproduceerd?

(a)  

31.

Wat is de functie van de follikelcellen, die rondom de eicel zich bevinden?

a)

Voedingstoffen leveren aan de eicel

b)

Voedingstoffen leveren aan de zaadcellen

c)

Zorgen voor een ondoordringbare laag, wanneer het celmembraan van een zaadcel versmelt met het celmembraan van een eicel

d)

Houden ziekteverwekkers tegen

32.

Hoe noemen we het bevruchte eicel, zodra de bevruchting van de eicel is afgrond?

(a)  

33.

Hoelang duurt het voordat de eerste deling plaatsvindt?

a)

Het begint gelijk nadat een eicel bevrucht is

b)

24 uur

c)

30 uur

d)

5 dagen

34.

Hoe heet het klompje cellen, als deze uit 16 cellen bestaat?

(a)  

35.

Welke gebeurtenis(sen) vinden plaats tussen 120 uur en 168 uur?

a)

Productie HCG

b)

Vorming dooierblaasje

c)

Innesteling in baarmoederslijmvlies

d)

Vorming amnionholte

e)

Aankomst van embryo in baarmoeder

36.

Welke gebeurtenis(sen) vinden er plaats op 120 uur?

a)

Embryo bestaat uit 100 cellen

b)

Aankomst van embryo in baarmoeder

c)

Eerste deling

d)

Productie HCG

e)

Vorming dooierblaasje

37.

Wat is de functie van trofoblast cellen?

a)

Produceert verschillende stoffen

b)

Vormt uitstulpingen (vlokken)

c)

Vormt een navelstreng

d)

Vormt de eerste bloedcellen

38.

Wat is de functie van de embryoblast?

a)

Hieruit ontstaat de kiemschijf en de blastocyste

b)

Produceert het hormoon HCG

c)

Vorming amnionholte en dooierblaasje

d)

Vormt eerste bloedcellen

39.

Welke twee onderdelen vormen uiteindelijk de navelstreng?

a)

Kiemschijf

b)

Amnionholte

c)

Trofoblast

d)

Dooierblaasje

40.

Welke twee holten ontstaan er aan beide zijden van de kiemschijf?

a)

Amnionholte

b)

Dooierblaasje

c)

Blastula

d)

Embryoblast

41.

Wat is de functie van het dooierblaasje?

a)

Vormt de eerste bloedcellen

b)

Vult de gehele blastulaholte met vruchtwater

c)

Groeit uiteindelijk uit tot het kind

d)

Produceert stoffen

42.

Hoe beweegt een eicel na de bevruchting naar de baarmoeder?

a)

De eicel beweegt op zichzelf naar de baarmoeder

b)

De eileider vervoert de eicel naar de baarmoeder

c)

De zweepstaart van de zaadcel vervoert de eicel

d)

De eicel wordt in de baarmoeder bevrucht

43.

Welk(e) proces(sen) gebeuren er niet na de bevruchting?

a)

De innesteling

b)

Het delen van de eicel

c)

De ovulatie

d)

De menstruatie