wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Prijselasticiteit - 2

Total questions: 10

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Bij een prijselasticiteit van -0,8 is sprake van

a)

elastische vraag

b)

iso-elastische vraag

c)

inelastische vraag

2.

Prijselasticiteit van de vraag is altijd negatief omdat

a)

prijzen dalen als de vraag toeneemt

b)

er een negatief verband is tussen prijs en vraag

c)

prijzen stijgen als de vraagt stijgt

3.

De prijselasticiteit van de vraag naar spijkerbroeken is gelijk aan -1,4. Als de prijs van een spijkerbroek stijgt met 10% dan ...

a)

daalt de vraag met 1,4%

b)

daalt de vraag met 7,14%

c)

daalt de vraag met 14%

4.

Coca Cola en Pepsi zijn

a)

substitutiegoederen

b)

complementaire goederen

5.

De kruislingse prijselasticiteit van de vraag naar ketchup als de prijs van hotdogs verandert is ...

a)

altijd negatief want het zijn substitutiegoederen

b)

altijd positief want het zijn complementaire goederen

c)

altijd negatief want hij het zijn complementaire goederen

d)

altijd positief want het zijn substitutiegoederen

6.

De vraag naar Pizza kan worden weergegeven met de volgende vraagvergelijking:


Qv = -0,5Ppizza+0,3Pkapsalon+0,2Yinkomen


welke bewering is juist?

a)

In dit voorbeeld zijn pizza en kapsalon substituten want de coëfficiënt voor kapsalon is positief

b)

In dit voorbeeld zijn pizza en kapsalon substituten want de coëfficiënt voor pizza is negatief

c)

In dit voorbeeld zijn pizza en kapsalon complementaire goederen want de coëfficiënt voor kapsalon is positief

d)

In dit voorbeeld zijn pizza en kapsalon complementaire goederen want de coëfficiënt voor pizza is negatief

7.

De prijselasticiteit van de vraag naar benzine bedraagt -0,09. Als de prijs van bezine wordt verlaagd dan ...

a)

Daalt de omzet omdat de prijs daalt

b)

Daalt de omzet om de prijs sneller daalt van de vraag stijgt

c)

Stijgt de omzet omdat de prijs daalt

d)

Stijgt de omzet omdat de prijs minder snel daalt dan dat de vraag stijgt

8.

Gegeven is de vraag naar E-Bikes:

Qv = -3p +10.000.


Bereken de prijselasticiteit van de vraag als de prijs van een E-Bike daalt van 2.500 euro naar 2.000 euro.

a)

-0,33

b)

-1

c)

-3

d)

Geen idee

9.

De vraagfunctie die afgebeeld is geeft:

a)

Volkomen inelastische vraag weer

b)

relatief inelastische vraag weer

c)

relatief elastische vraag weer

d)

Volkomen elastische vraag weer

10.

De vraag naar sigaretten is relatief:

a)

Relatief elastisch want rokers zijn gevoelig voor prijsveranderingen

b)

Relatief elastisch want rokers zijn niet gevoelig voor prijsveranderingen

c)

Relatief inelastisch want rokers zijn gevoelig voor prijsveranderingen

d)

Relatief inelastisch want rokers zijn niet gevoelig voor prijsveranderingen