wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1KLT - caput 1 en 2

Total questions: 60

Worksheet time: 53mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noemen we het zeil dat men boven het theater spant om de toeschouwers tegen hitte en regen te beschermen.

a)

velum

b)

scaena

c)

orchestra

d)

mime

2.

Waar staan de acteurs in het theater?

a)

velum

b)

scaena

c)

orchestra

d)

mime

3.

In welk theatergenre worden sappige en pikante situaties uit het dagelijks leven nagespeeld?

a)

velum

b)

scaena

c)

orchestra

d)

mime

4.

Waar zaten de rijke Romeinen in het theater? Antwoord met één woord.

(a)  

5.

Door welk volk hebben de Romeinen het toneel leren kennen?

a)

de Grieken

b)

de Etrusken

c)

de Egyptenaren

d)

de Galliërs

6.

Alle rollen, ook de vrouwenrollen, worden gespeeld door ...

(a)  

7.

Hoe kon het publiek herkennen welk personage de acteur vertolkte?

a)

door de maskers

b)

door de kleding

c)

door de schoenen

d)

door de schmink

8.

Geef een ander woord voor treurspel.

(a)  

9.

Geef een ander woord voor blijspel.

(a)  

10.

Bij welk theatergenre spreekt de acteur niet, maar danst hij op de scène, begeleid door muziek?

a)

tragedie

b)

komedie

c)

mime

d)

pantomime

11.

Davus servus est: wat is de functie van servus?

a)

O

b)

NWD

c)

NWG

d)

LV

12.

Davus servus est: wat is de functie van Davus?

a)

O

b)

NWD

c)

NWG

d)

LV

13.

Dominus servum monet: wat is de functie van Dominus?

a)

O

b)

NWD

c)

NWG

d)

LV

14.

Dominus servum monet: wat is de functie van servum?

a)

O

b)

NWD

c)

NWG

d)

LV

15.

In welke naamval staat het grondwoord?

a)

nominatief

b)

accusatief

16.

In welke naamval staat het onderwerp?

a)

nominatief

b)

accusatief

17.

In welke naamval staat het NWD?

a)

nominatief

b)

accusatief

18.

In welke naamval staat het LV?

a)

nominatief

b)

accusatief

19.

Het NWG bestaat altijd uit 2 delen: het koppelwerkwoord en het ... (Noteer de afkorting die we ook in de les gebruikt hebben.)

(a)  

20.

Een naamval is herkenbaar aan de ... (Antwoord met één woord!)

(a)  

21.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. eerste klasse, acc. m. mv.

(a)  

22.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. eerste klasse, nom. v. mv.

(a)  

23.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. eerste klasse, acc. o. enk.

(a)  

24.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): adj. eerste klasse, acc. v. enk.

(a)  

25.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): adj. eerste klasse, nom. m. mv.

(a)  

26.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): adj. eerste klasse, acc. o. mv.

(a)  

27.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. tweede klasse, acc. o. mv.

(a)  

28.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. tweede klasse, acc. v. enk.

(a)  

29.

Geef de juiste vorm van het model (niet gesplitst!): subst. tweede klasse, nom. m. mv.

(a)  

30.

In welke naamval staat "hortum"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

31.

In welke naamval staat "homines"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

32.

In welke naamval staat "eques"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

33.

In welke naamval staat "caelum"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

34.

In welke naamval staat "onera"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

35.

In welke naamval staat "statua"?

Als beide mogelijkheden correct zijn, moet je ze allebei aanduiden.

a)

nominatief

b)

accusatief

36.

Geef het grondwoord van "fessae".

(a)  

37.

Geef het grondwoord van "fontem".

(a)  

38.

Geef het grondwoord van "timetis".

(a)  

39.

Geef het grondwoord van "reperiunt".

(a)  

40.

Geef het grondwoord van "vocas".

(a)  

41.

Geef het grondwoord van "monstrum".

(a)  

42.

Geef het grondwoord van "frigidos".

(a)  

43.

Geef het grondwoord van "dolemus".

(a)  

44.

Geef het grondwoord van "intro".

(a)  

45.

Geef het grondwoord van "curam".

(a)  

46.

Geef het grondwoord van "optimum".

(a)  

47.

Geef het grondwoord van "venis".

(a)  

48.

Geef één vertaling van "terra".

(a)  

49.

Geef één vertaling van "ridere".

(a)  

50.

Geef één vertaling van "sic".

(a)  

51.

Van welk Latijns grondwoord is het Nederlandse woord "solist" afgeleid?

(a)  

52.

Geef één vertaling van "servare".

(a)  

53.

Geef één vertaling van "caelum".

(a)  

54.

Geef één vertaling van "gratus".

(a)  

55.

Geef één vertaling van "appellare".

(a)  

56.

Van welk Latijns grondwoord is het Nederlandse woord "fontein" afgeleid?

(a)  

57.

Van welk Latijns werkwoord is het Nederlandse woord "terrorist" afgeleid?

(a)  

58.

Met welk Latijns zn./substantief is het Latijnse werkwoord "vocare" verwant?

(a)  

59.

Van welk Latijns werkwoord is het Engelse woord "science" afgeleid?

(a)  

60.

Van welk Latijns grondwoord is het Franse woord "anniversaire" afgeleid?

(a)