Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

proefwerk H1 NN 1vwo

Total questions: 30

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Wat is een synoniem?

a)

ander woord met dezelfde betekenis

b)

één woord met meerdere betekenissen

2.

Wat betekent context?

a)

betekenis in woordenboek

b)

tekstdeel rond het onbekende woord

3.

Maak de uitdrukking af: alles kort en ... slaan

a)

kapot

b)

zacht

c)

klein

4.

Maak de uitdrukking af: heg noch... weten

a)

bos

b)

boom

c)

grasveld

d)

steg

5.

Maak de uitdrukking af: open en ...

a)

hoog

b)

bloot

c)

binnen

6.

Wat kan een zelfstandig naamwoord zijn? Kies de goede antwoord(en).

a)

mensen

b)

dieren

c)

dingen

d)

planten

e)

lopen

7.

Schrijf je namen van maanden met een hoofdletter?

a)

ja

b)

nee

8.

Schrijf je namen van windstreken met een hoofdletter?

a)

ja

b)

nee

9.

Schrijf je de naam van een krant met een hoofdletter?

a)

ja

b)

nee

10.

Schrijf je seizoenen met een hoofdletter?

a)

ja

b)

nee

11.

Wat zijn de bepaalde lidwoorden? Kies het juiste antwoord.

a)

de, het

b)

de

c)

de, het en een

d)

een

12.

Is 'Arnhem' een concreet zelfstandig naamwoord?

a)

ja

b)

nee

13.

Is 'week' een concreet zelfstandig naamwoord?

a)

ja

b)

nee

14.

Is 'het' in deze zin een lidwoord? 'Het is 9.00 uur.'

a)

ja

b)

nee

15.

Is 'een' in deze zin een lidwoord? 'Zij is een van de genodigden.'

a)

ja

b)

nee

16.

Staat een verbindingswoord altijd aan het begin van de zin?

a)

ja

b)

nee

17.

Wanneer gebruik je een komma?

a)

tussen twee persoonsvormen

b)

voor het woord als 'maar'

c)

achter het woord als 'maar'

d)

voor het woord 'en'

18.

Welke zin is goed gespeld?

a)

s' Morgens eet ik kwark.

b)

's Morgens eet ik kwark.

c)

'S morgens eet ik kwark.

d)

S' morgens eet ik kwark.

19.

Welke zin is goed gespeld? Let ook op leestekens.

a)

Amal bereid zich goed voor en neemt een chocola'tje.

b)

amal bereid zich goed voor en neemt een chocolaatje.

c)

amal bereidt zich goed voor en neemt een chocolaatje.

d)

Amal bereidt zich goed voor en neemt een chocolaatje.

20.

Welk rijtje klopt helemaal?

a)

baby'tje- cafeetje- beloninkje

b)

babytje- cafeetje- beloningkje

21.

Welk antwoord past er tussen?

Jevano (beantwoorden) de vraag.

a)

beantwoord

b)

beantwoort

c)

beantwoordt

22.

Lukas (beleven) veel avonturen in het weekend.

a)

beleeft

b)

beleefd

23.

Silke (geloven) niet meer in Sinterklaas.

a)

geloofd

b)

gelooft

24.

Veel jongeren maken het enzym dat alcohol ..(afbreken) niet aan.

a)

af breekt

b)

afbreekt

25.

Wie heeft zich ... (verbazen) over jouw deelname aan TVOH?

a)

verbaast

b)

verbaasd

26.

Wanneer schrijf je de stam van het werkwoord? Er kunnen meer antwoorden goed zijn.

a)

ik

b)

hij

c)

je/jij erachter

d)

gebiedende wijs

27.

Waarom ... (ontkennen) Jonathan zijn betrokkenheid?

a)

ontkend

b)

ontkent

28.

Wat is/zijn de ik-vormen van het werkwoord: doorlezen?

a)

lees door

b)

door lees

c)

allebei

29.

Wat moet je soms doen om ik-vorm te vinden?

a)

letter weghalen

b)

letter toevoegen

c)

laatste letter veranderen

d)

alleen -en weghalen

30.

Hoe noteer je het onderwerp?

a)

1 woord

b)

1 of paar woorden

c)

maximaal 1 zin