Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grootheden Eenheden

Total questions: 26

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.
Tijd is een ....
a)
Grootheid
b)

Eenheid

2.
Centimeters is een ....
a)

Grootheid

b)
Eenheid
3.
Kg is een ....
a)
Grootheid
b)
Eenheid
4.
Graden Celsius is een .....
a)
Grootheid
b)
Eenheid
5.
Afstand is een ....
a)
Grootheid
b)
Eenheid
6.
natuurkunde, scheikunde en biologie zijn....
a)
talen
b)
sporten
c)

natuur

wetenschappen

d)
maaatschappij vakken
7.
het vallen van een steen is...
a)
natuurkunde
b)
scheikunde
c)
wiskunde
d)
biologie
8.
het branden van een kaars is...
a)
natuurkunde
b)
scheikunde
c)
wiskunde
d)
biologie
9.
de lengte is 12 meter hierin is meter de...
a)
grootheid
b)
het meetinstrument
c)
het maatgetal
d)
de eenheid
10.
lengte, tijd, massa en temperatuur zijn....
a)
grootheden
b)
eenheden
c)
zintuigen
d)
meetinstrumenten
11.

Hoeveel mA is 1 A

a)

1A = 100 mA

b)

1A = 0,001 mA

c)

1A = 1000 mA

d)

1A = 1000 V

12.

hoeveel kilogram is 250 gram

a)

250 g = 750 kg

b)

250 g = 2,5 kg

c)

250 g = 0,250 kg

d)

250 g = 0,025 kg

13.

Hoeveel Ampére is 35 mA

a)

35 mA = 350 A

b)

35 mA = 0,035 A

c)

35 mA = 0,70 A

d)

35 mA = 350000 A

14.

hoeveel Volt is één kV?

a)

1kV = 1000 mV

b)

1kV = 1000 V

c)

1kV = 100 V

d)

1 kV = 0,001 V

15.

De grootheid temperatuur heeft als eenheid:

a)

graden Celcius

b)

warmte

c)

meter Kelvin

d)

kookpunt

16.

De eenheid voor afstand =

a)

km

b)

pm

c)

m

d)

cm

17.

De eenheid van weerstand =

a)

Volt

b)

Ampère

c)

Watt

d)

Ohm

18.

Wat is het symbool voor elektrische spanning?

a)

V

b)

A

c)

W

d)

Ω

19.

Wat is het symbool voor weerstand?

a)

V

b)

A

c)

W

d)

Ω

20.

mili =

a)

100

b)

1/100

c)

1/1000

d)

1000

21.

kilo =

a)

100

b)

1/100

c)

1/1000

d)

1000

22.

Mega

a)

10

b)

100

c)

1000

d)

1000 000

23.

Giga =

a)

1000

b)

1000 000

c)

1000 000 000

d)

1000 000 000 000

24.

250 mA =

a)

250 A

b)

25 A

c)

2,5 A

d)

0,25 A

25.

1 V =

a)

10 mV

b)

100 mV

c)

1000 mV

d)

10 000 mV

26.

10 kV =

a)

1000 V

b)

10 000 V

c)

1000 000 V

d)

100 000 V