wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H8 Ruimtefiguren 4KGT - quiz 1

Total questions: 18

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Je ziet kubus ABCD EFGH.

Welke vorm heeft doorsnede DBFH?

a)

vierkant

b)

parallellogram

c)

ruit

d)

rechthoek

2.

Hoe noem je doorsnede DBFH?

a)

diagonaalvlak

b)

ribbe

c)

zijvlak

d)

lichaamsdiagonaal

3.

Wat is de lengte van BD?

a)

4 cm

b)

42+42\sqrt{4^2+4^2}

c)

4242\sqrt{4^2-4^2}

d)

4 + 4 = 8 cm

4.

Hoe noem je lijn CE?

a)

diagonaalvlak

b)

doorsnede

c)

schuine zijde

d)

lichaamsdiagonaal

5.

Punt A heeft de coördinaten (1 ,1, 1).

Wat zijn de coördinaten van punt H?

a)

(0, 2, 0)

b)

(2, 0, 0)

c)

(0, 0, 2)

6.

Afmetingen van de tent:

hoogte = 2 m, breedte = 3 m, lengte = 4 m


Bereken de inhoud van de tent in m3.

(a)  

7.

Een blik verf heeft een diameter van 10 cm en een hoogte van 12 cm.

Hoe bereken je de inhoud van het blik?

a)

π · 10 · 12

b)

π · 52 · 12

c)

π · 102 · 12

d)

π · 5 · 12

8.

3600 cm3 = (a)   L

9.

5600 cm3 = (a)   mL

10.
Bij 150% hoort de vergrotingsfactor:
a)
150
b)
15
c)
1,5
d)
0,15
11.

Wat is de inhoud van de kleine balk in cm3?

(a)  

12.

Hoeveel keer groter is de inhoud van de grote balk dan de inhoud van de kleine balk?

a)

2

b)

3

c)

9

d)

27

13.

De inhoud van het melkkantje is 1,2 dl. Er bestaat ook een grote melkkan van dezelfde vorm. Daarvan zijn alle maten 2,5 keer zo groot. Bereken de inhoud van de grotere melkkan.

a)

1,2×2,53=18,75 dl1,2\times2,5^3=18,75\ dl

b)

1,2\times2,5=3\ dl

c)

1,2×2,52=7,5 dl1,2\times2,5^2=7,5\ dl

14.

Om hoek A te berekenen gebruik je...

a)

Pythagoras

b)

sinus

c)

cosinus

d)

tangens

15.

tan (∠A)  =1050=\frac{10}{50}  
 Hoe bereken je A?Hoe\ bereken\ je\ \angle A? 

a)

 A =tan (10  50)\angle A\ =\tan\ \left(10\ \cdot\ 50\right)  

b)

 A = tan(50)10\angle A\ =\ \tan\left(50\right)\cdot10  

c)

 A=tan1(1050)\angle A=\tan^{-1}\left(\frac{10}{50}\right)  

d)

 A = tan1(10)50\angle A\ =\ \frac{\tan^{-1}\left(10\right)}{50}  

16.

 tan(50o)=10AC\tan\left(50^o\right)=\frac{10}{AC}  


Hoe bereken je AC?

a)

 AC = tan(50)10AC\ =\ \tan\left(50\right)\cdot10  

b)

 AC = tan(50)10AC\ =\ \frac{\tan\left(50\right)}{10}  

c)

 AC = tan1(1050)AC\ =\ \tan^{-1}\left(\frac{10}{50}\right)  

d)

 AC = 10tan(50)AC\ =\ \frac{10}{\tan\left(50\right)}  

17.

Welk getal is hier de modus?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

3

b)

4

c)

7

d)

geen modus

18.

Welk getal is de mediaan?

3 - 4 - 4 - 5 - 6 - 7

a)

4

b)

4,5

c)

5

d)

geen mediaan