wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Project: mobiliteit

Total questions: 22

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Een bus die een halte verlaat heeft altijd voorrang.

a)

Nee, de bus moet altijd wachten tot er geen verkeer meer aankomt. Dat geldt binnen en buiten de bebouwde kom.

b)

Ja, elke weggebruiker moet een bus die een halte verlaat altijd voorrang verlenen. Dat geldt binnen en buiten de bebouwde kom.

c)

Buiten de bebouwde kom gelden de gewone verkeersregels en moet de bus voorrang verlenen. Binnen de bebouwde kom heeft de bus altijd voorrang op alle weggebruikers.

2.

Aankomende fietsers moeten hier stoppen voor de busreizigers.

a)

Ja, de op- en afstappende reizigers hebben voorrang op de fietsers.

b)

Nee, de op- en afstappende reizigers moeten aan de kant wachten en de aankomende fietsers doorlaten. Ze mogen de fietsers niet hinderen.

c)

Nee, de aankomende fietsers mogen tussen de op- en afstappende reizigers verder fietsen, maar ze moeten daarbij wel vertragen en voorzichtig zijn.

3.

Fietsers mogen hier de busstrook gebruiken.

a)

Ja, dat mag altijd.

b)

Nee, dat mag niet. Tenzij er een fietssymbool op de rijweg zelf staat.

4.

Fietsers mogen hier de busstrook

gebruiken.

a)

Ja, hier mogen de fietsers in beide richtingen op de busstrook rijden.

b)

Ja, hier mogen de fietsers op de busstrook rijden als ze in dezelfde richting rijden als de bus en als ze achter elkaar rijden.

c)

Ja, hier mogen de fietsers naast elkaar op de busstrook rijden. Er is plaats genoeg.

5.

Wie heeft voorrang?

a)

De tram.

b)

De fietser, want hij komt van rechts.

6.

Mogen de fietsers hier naast elkaar fietsen?

a)

Ja, het is een busstrook en meteen ook een breed fietspad.

b)

Nee, het is een busstrook waarop je mag fietsen, maar je mag er niet naast elkaar fietsen.

7.

Wie heeft in de bebouwde kom hier voorrang?

a)

De fietser

b)

De bus

8.

Mogen de kinderen de trambedding oversteken?

a)

Ja, als ze snel zijn, kunnen ze de overkant nog halen voordat de tram er is.

b)

Nee, ze moeten wachten totdat de tram voorbij is.

9.

het rode pad is ....

a)

de straat

b)

het voetpad, het trottoir

c)

het fietspad

d)

de autoweg

10.

wat voor bord zie je hier?

a)

hier is

b)

je mag niet

c)

je moet

d)

let op

11.

Dit bord betekent...

a)

dat we op een fiets- en bromfietspad rijden.

b)

dat fietsers hier niet mogen rijden en

bromfietsers wel.

c)

dat hier het einde van het fietspad is.

12.

mag lies over?

a)

ja

b)

neen

13.

wat is correct?

a)

ik mag alleen de rijbaan oversteken als er een zebrapad is.

b)

ik mag alleen de rijbaan oversteken bij een gemachtigd opzichter of een agent(e).

c)

is er een zebrapad, dan moet ik er gebruik van maken om de rijbaan over te steken.

14.

Duid de reflector van een fiets aan.

a)
b)
c)
d)
e)
15.

als je stapt, dan is je plaats op het fietspad.

goed of fout?

a)
b)
16.

Niemand mag door. Iedereen moet stoppen.

Welk commando hoort bij de tekst?

a)
b)
c)
17.

Je ziet een ongeval op de weg. Je moet telefoneren naar het internationaal noodnummer. Welk nummer is dat?

a)

100

b)

101

c)

112

18.

Moet de grijze auto stoppen?

a)

ja

b)

nee

19.

Je rijdt in de blauwe auto. Je wil links afslaan. Wie heeft voorrang?

a)

de blauwe auto

b)

de gele auto

20.

Ik kijk naar de politie. Ik moet rechts afslaan.

Is dit juist?

a)

Ja, ik mag rechts afslaan.

b)

Nee, ik moet rechtdoor rijden.

c)

Nee, ik moet stoppen.

21.
Wat is de minst vervuilende manier van reizen bij het openbaar vervoer?
a)
Tram
b)
Bus
c)
Trein
d)
Metro
22.
Wat is het meest vervuilende vervoersmiddel bij het openbaar vervoer
a)
Tram
b)
Bus
c)
Trein
d)
Metro