Worksheets1VWO SS7e Grammar chapter 1
Total questions: 20
Worksheet time: 20mins
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
The grandmother (a) (to be) very old.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
She (a) (to look) at her computer.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
My parents (a) (to love) our cats.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
I (a) (to be) very smart.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
My dog (a) (to run) many miles a day.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
She (a) (to want) go shopping tomorrow.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
We (a) (to go) to Spain this summer.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
Her sisters (a) (to listen) to stupid music.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
She (a) (to have) the best parents in the world.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
The sun (a) (to rise) in the east.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
My mother (a) (to worry) about my little sister.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
She (a) (to buy) him a wonderful birthday present.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
She (a) (to use) lots of sugar to prepare the cupcakes.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
They (a) (to marry) each other.
Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:
Lisa (a) (to cry) because of the sad movie.
Vul het juiste voornaamwoord in:
Sophia, it is such a sunny day! (a) (wij) should go to the park together.
Vul het juiste voornaamwoord in:
Brian and his friend are going to the park already. We could also go with (a) (hun).
Vul het juiste voornaamwoord in:
Tomorrow Jolien's aunt will visit (a) (haar) at my place. It will just be Jolien and her aunt.
Vul het juiste voornaamwoord in:
She gave (a) (haar) a gift for Christmas!
Vul het juiste voornaamwoord in:
Our holiday in Melbourne was great! I just really liked (a) (het).
