Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

1VWO SS7e Grammar chapter 1

Total questions: 20

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


The grandmother (a)   (to be) very old.

2.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


She (a)   (to look) at her computer.

3.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


My parents (a)   (to love) our cats.

4.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


I (a)   (to be) very smart.

5.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


My dog (a)   (to run) many miles a day.

6.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


She (a)   (to want) go shopping tomorrow.

7.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


We (a)   (to go) to Spain this summer.

8.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


Her sisters (a)   (to listen) to stupid music.

9.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


She (a)   (to have) the best parents in the world.

10.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


The sun (a)   (to rise) in the east.

11.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


My mother (a)   (to worry) about my little sister.

12.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


She (a)   (to buy) him a wonderful birthday present.

13.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


She (a)   (to use) lots of sugar to prepare the cupcakes.

14.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


They (a)   (to marry) each other.

15.

Maak de zinnen compleet door het werkwoord tussen haakjes in de Present Simple te zetten:


Lisa (a)   (to cry) because of the sad movie.

16.

Vul het juiste voornaamwoord in:


Sophia, it is such a sunny day! (a)   (wij) should go to the park together.

17.

Vul het juiste voornaamwoord in:


Brian and his friend are going to the park already. We could also go with (a)   (hun).

18.

Vul het juiste voornaamwoord in:


Tomorrow Jolien's aunt will visit (a)   (haar) at my place. It will just be Jolien and her aunt.

19.

Vul het juiste voornaamwoord in:


She gave (a)   (haar) a gift for Christmas!

20.

Vul het juiste voornaamwoord in:


Our holiday in Melbourne was great! I just really liked (a)   (het).