wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Luchtquiz

Total questions: 111

Worksheet time: 8hrs 58mins

Name
Class
Date
1.

In een verslag staat het volgende:

"Vliegtuigje 1 ging het meest ver in de kortste tijd. Dit had ik niet verwacht, want vliegtuigje 2 ziet er beter uit. Vliegtuigje 1 is het beste, omdat de vleugels beter gevouwen zijn."

In welk deel van een verslag is dit geschreven?

a)

Uitvoering

b)

Onderzoeksvraag

c)

Meetresultaten

d)

Conclusie

e)

Wat had beter gekund

2.

In een verslag staat het volgende:

"Ik ben na dit onderzoek benieuwd of ik een beter vliegtuigmodel kan maken dan model 1: Hoe vouw ik een vliegtuigje dat sneller gaat per seconde dan model 1?

In welk deel van een verslag is dit geschreven?

a)

Nieuwe onderzoeksvraag

b)

Onderzoeksvraag

c)

Meetresultaten

d)

Conclusie

e)

Wat had beter gekund

3.

Met welk onderdeel begin je een verslag?

a)

Introductie

b)

Titel

c)

Onderzoeksvraag

d)

Benodigdheden

e)

Uitvoering

4.

Wat zet je in de introductie van een verslag?

a)

Naam en klas

b)

Datum

c)

Met wie je samen hebt gewerkt

d)

Waar de proef over gaat.

e)

De onderzoeksvraag

5.

Wat zet je in de uitvoering van je verslag?

a)

Hoe je de proef hebt uitgevoerd.

b)

Een tekening van de opstelling.

c)

Waarnemingen van de proef.

d)

Antwoord op de onderzoeksvraag.

e)

De titel van de proef.

6.

Wat zet je in de meetresultaten van je verslag?

a)

Hoe je de proef hebt uitgevoerd.

b)

Een tekening van de opstelling.

c)

Waarnemingen van de proef.

d)

Een grafiek of tabel.

e)

Grootheden, zoals tijd of temperatuur.

7.

Meneer Aziz heeft vijf demonstraties gegeven. Bij iedere demonstratie heb je een eigenschap van lucht geleerd. Welke eigenschappen heeft lucht?

a)

Lucht is een bouwstof van een cel.

b)

Lucht heeft geen ruimte nodig.

c)

Lucht heeft massa.

d)

Lucht is sterk.

e)

Lucht is zwaar.

8.

Welke eigenschap van lucht wordt hier aangetoond?


Voordat de autoband opgepompt was werd deze op de balans gelegd. Nadat de autoband opgepompt was werd deze nogmaals op de balans gelegd. De autoband was tijdens het tweede weegmoment iets zwaarder dan bij het eerste weegmoment.

(a)  

9.

Welke eigenschap van lucht wordt hier aangetoond?


Een duiker kan onder water ademen. De lucht gaat via de duikfles naar buiten. De lucht gaat in luchtbellen in het water naar boven toe.

(a)  

10.

Welke eigenschap van lucht wordt hier aangetoond?


Lucht zorgt ervoor dat de zuignappen aan de muur vast blijven zitten.

(a)  

11.

Vleugels van vogels maken altijd een kleine hoek ten opzichte van de romp. Doordat de vogel snelheid maaakt zal de lucht tegen de vleugel botsen en de vogel optillen. Hoe wordt deze optilkracht genoemd?

(a)  

12.

De optilkracht of lift kun je vergroten. Een vliegtuig doet dat door:

a)

zijn flappen uit te schuiven.

b)

zijn slagpenning uit te spreiden.

13.

De optilkracht of lift kun je vergroten. Een vogel doet dat door:

a)

zijn flappen uit te schuiven.

b)

zijn slagpenning uit te spreiden.

14.

Vogels kunnen hun staart en vleugels bewegen door spieren en gewrichten te laten werken. Een vliegtuig kan dit niet. Wat gebruikt een vliegtuig als soort spieren en gewrichten?

a)

touwen

b)

scharnieren

c)

katrollen

d)

wielen

e)

knopen

15.

Wat gebeurt er bij het gebruik van een vaste katrol?

a)

De richting van het blokje verandert.

b)

De kracht dat nodig is om het blikje te tillen verandert.

16.

Wat gebeurt er bij het gebruik van een losse katrol?

a)

De richting van het blokje verandert.

b)

De kracht dat nodig is om het blikje te tillen verandert.

17.

Wat is het symbool voor de grootheid van kracht?

(a)  

18.

Wat is de naam van de eenheid van kracht?

(a)  

19.

Wat is het symbool van de eenheid van kracht?

(a)  

20.

Wat is het symbool voor de grootheid van afstand?

(a)  

21.

Wat is het symbool voor de eenheid van afstand?

(a)  

22.

Wat is het symbool voor de grootheid van dichtheid?

(a)  

23.

Wat is het symbool voor de eenheid van dichtheid?

(a)  

24.

Wat is het symbool voor de grootheid van volume?

(a)  

25.

Wat is het symbool voor de eenheid van volume?

(a)  

26.

Bij een vaste katrol is minder kracht nodig dan bij een losse katrol.

a)

juist

b)

onjuist

27.

Waarvoor gebruik je de vaste katrol?

a)

Als je iets makkelijk wilt tillen.

b)

Als je de hoeveelheid kracht wilt verminderen om iets te tillen.

28.

Waarvoor gebruik je de losse katrol?

a)

Als je iets makkelijk wilt tillen.

b)

Als je de hoeveelheid kracht wilt verminderen om iets te tillen.

29.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

30.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

31.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

32.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

33.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 5?

(a)  

34.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 6?

(a)  

35.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 7?

(a)  

36.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 8?

(a)  

37.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 9?

(a)  

38.

Op het plaatje hiernaast is schematisch een bloem afgebeeld. Welk onderdeel van de bloem wordt aangegeven met nummer 10?

(a)  

39.

Hoeveel zaden kunnen er maximaal in het vruchtbeginsel van de bloem op het plaatje afgebeeld worden gevormd?

(a)  

40.

Welke aanpassingen heeft een insectenbloem?

a)

de bloemen zijn groot

b)

de bloemen maken nectar

c)

de bloemen maken veel stuifmeel

d)

de bloemen hebben felle kleuren

e)

de meeldraden hangen buiten de bloem

41.

Welke aanpassingen heeft een windbloem?

a)

de bloemen zijn groot

b)

de bloemen maken nectar

c)

de bloemen maken veel stuifmeel

d)

de bloemen hebben felle kleuren

e)

de meeldraden hangen buiten de bloem

42.

Hoe heet het vrouwelijke geslachtdeel van een plant?

(a)  

43.

Hoe heet het mannelijke geslachtdeel van een plant?

(a)  

44.

Uit welke onderdelen bestaat een meeldraad?

a)

stempel

b)

stijl

c)

helmdraad

d)

kelkblad

e)

helmknop

45.

Uit welke onderdelen bestaat een stamper?

a)

helmknop

b)

vruchtbeginsel

c)

stijl

d)

helmdraad

e)

stempel

46.

Boven in het lokaal is het warmer dan onder in het lokaal.

a)

Juist

b)

Onjuist

47.

Waarom zit warme lucht boven het lokaal en koude lucht onder in het lokaal?

a)

Warme lucht heeft een grotere dichtheid, waardoor koude lucht naar beneden wordt gedrukt.

b)

Warme lucht heeft een grotere dichtheid, waardoor koude lucht naar boven wordt gedrukt.

c)

Koude lucht heeft een grotere dichtheid, waardoor warme lucht naar boven wordt gedrukt.

d)

Koude lucht heeft een grotere dichtheid, waardoor warme lucht naar beneden wordt gedrukt.

48.

Op welke plek in de zee is het warmste water te vinden?

a)

Bovenin

b)

Onderin

49.

Welke van de volgende gassen bevinden zich in de lucht?

a)

zuurstof

b)

stikstof

c)

koolstofdioxide

d)

waterstof

e)

edelgas

50.

Wat is de formule van zuurstof?

a)

O2

b)

N2

c)

CO2

d)

H

e)

He

51.

Wat is de formule van koolstofdioxide?

a)

O2

b)

N2

c)

CO2

d)

H

e)

He

52.

Wat is de formule van stikstof?

a)

O2

b)

N2

c)

CO2

d)

H

e)

He

53.

Wat is de formule van waterstof?

a)

O2

b)

N2

c)

CO2

d)

H

e)

He

54.

Wat is de formule van een voorbeeld van een edelgas?

a)

Ar

b)

N2

c)

CO2

d)

H

e)

He

55.

Als warme lucht opstijgt veroorzaakt dat een gebied met een ... luchtdruk.

a)

hoge

b)

lage

56.

Welke aanpassingen heeft een insectenbloem om de kans op bestuiving te vergroten?

a)

Lange meeldraden

b)

Kleine en onopvallende kroonbladen

c)

Maken nectar

d)

Ruiken lekker

e)

Stuifmeel is licht en glad

57.

Welke aanpassingen heeft een windbloem om de kans op bestuiving te vergroten?

a)

Lange meeldraden

b)

Kleine en onopvallende kroonbladen

c)

Maken nectar

d)

Ruiken lekker

e)

Stuifmeel is licht en glad

58.

Wat voor type bloem is op de afbeelding te zien?

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

59.

Wat voor type bloem is op de afbeelding te zien?

a)

Windbloem

b)

Insectenbloem

60.

Aan welke aanpassingen van de bloem kun je zien dat dit een windbloem is?

a)

Lange meeldraden

b)

Groene kroonbladeren

c)

Maakt nectar

d)

Ruikt lekker

e)

Bloem is groot

61.

Aan welke aanpassingen van de bloem kun je zien dat dit een insectenbloem is?

a)

Lange meeldraden

b)

Groene kroonbladeren

c)

Bloem maakt nectar

d)

Gekleurde, grote kroonbladeren

e)

Bloem is groot

62.

Wat meet je met een barometer?

(a)  

63.

Een plant, zoals een klavertje, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Huidmondjes

64.

Een eencellig diertje, zoals het pantoffeldiertje, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Huidmondjes

65.

Een reptiel, zoals een slang, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

66.

Een amfibie, zoals een oxolotl, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

67.

Een vis, zoals een clownvis, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

68.

Een insect, zoals een boswitje, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

69.

Een vogel, zoals een pinguïn, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

70.

Een zoogdier, zoals een dolfijn, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

71.

Een eencellig diertje, zoals het klokdiertje, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Huidmondjes

72.

Een zoogdier, zoals een bonobo, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

73.

Een vogel, zoals een dwergpapegaai, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

74.

Een insect, zoals een lantaarntje, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

75.

Een vis, zoals een picasso doktervis, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

76.

Een amfibie, zoals een boomkikker, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

77.

Een reptiel, zoals een krokodil, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Kieuwen

78.

Een plant, zoals zonnedauw, haalt adem met ...

a)

Longen

b)

Celmembraan

c)

Huid

d)

Tracheeën

e)

Huidmondjes

79.

De huidmondjes op de waterviolier zitten ... op de bladeren.

a)

boven

b)

onder

80.

De huidmondjes op de korenbloem zitten ... op de bladeren.

a)

boven

b)

onder

81.

Waardoor worden je longen beschermd in je lichaam?

a)

luchtpijp

b)

tussenribspieren

c)

middenrif

d)

ribbenkast

82.

Bij welk soort ademhaling maak je gebruik van je middenrif?

a)

buikademhaling

b)

borstademhaling

83.

Welke situatie past het beste?

De ribben bewegen omhoog en borstbeen naar voren.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

84.

Welke situatie past het beste?

De ribben bewegen omlaag en borstbeen naar achteren.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

85.

Welke situatie past het beste?

Het middenrif beweegt omlaag.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

86.

Welke situatie past het beste?

Het middenrif beweegt omhoog.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

87.

Welke situatie past het beste?

Je longen worden groter, de buikholte wordt kleiner.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

88.

Welke situatie past het beste?

Je longen worden groter, de buikholte wordt kleiner.

a)

Buikademhaling - inademing

b)

Buikademhaling - uitademing

c)

Borstademhaling - inademing

d)

Borstademhaling - uitademing

89.

Het beste is om te ademen door je ...

a)

neus

b)

mond

90.

Ribademhaling wordt ook wel ... genoemd.

(a)  

91.

Middenrifademhaling wordt ook wel ... genoemd.

(a)  

92.

Waarom is ademen door je neus beter dan door je mond?

a)

de neus zuivert de ingeademde lucht

b)

de neus verwarmd de ingeademde lucht

c)

de neus bevochtigt de ingeademde lucht

d)

de neus waarschuwt voor gevaarlijke stoffen

e)

de neus zorgt voor een betere zuurstofopname

93.

Hoe zuivert de neus ingeademde lucht?

a)

Vieze deeltjes blijven plakken aan slijmvlies.

b)

Vieze deeltjes worden tegengehouden door neusharen.

c)

Er lopen veel bloedvaten bij de neus.

d)

Het reukorgaan bevindt zich in de neusholte.

94.

Hoe verwarmd de neus ingeademde lucht?

a)

Vieze deeltjes blijven plakken aan slijmvlies.

b)

Vieze deeltjes worden tegengehouden door neusharen.

c)

Er lopen veel bloedvaten bij de neus.

d)

Het reukorgaan bevindt zich in de neusholte.

95.

Hoe bevochtigt de neus ingeademde lucht?

a)

Dat komt door het neusslijmvlies.

b)

Vieze deeltjes worden tegengehouden door neusharen.

c)

Er lopen veel bloedvaten bij de neus.

d)

Het reukorgaan bevindt zich in de neusholte.

96.

Hoe kan de neus waarschuwen voor gevaarlijke stoffen?

a)

Dat komt door het neusslijmvlies.

b)

Vieze deeltjes worden tegengehouden door neusharen.

c)

Er lopen veel bloedvaten bij de neus.

d)

Het reukorgaan bevindt zich in de neusholte.

97.

Bestuiving kan alleen plaatsvinden tussen planten van dezelfde soort!

a)

juist

b)

onjuist

98.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 1?

(a)  

99.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 2?

(a)  

100.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 3?

(a)  

101.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 4?

(a)  

102.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 5?

(a)  

103.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 6?

(a)  

104.

Op de afbeelding is een deel van het ademhalingsstelsel te zien. Welk onderdeel wordt aangegeven met nummer 7?

(a)  

105.

Op de afbeelding wordt een belangrijk gedeelte van het ademhalingsstelsel weergegeven. Hoe heet dit gedeelte?

(a)  

106.

Wat geven de rode strepen aan op de afbeelding?

a)

bloedvaten

b)

longvaten

c)

longhaartjes

d)

bronchie

107.

Welk gas wordt er naar de bloedvaten toe vervoerd vanuit de longen?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

108.

Welk gas wordt door de bloedvaten afgegeven aan de longen?

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

109.

Wat is het doel van de grote bloedsomloop?

a)

zuurstof ophalen uit de longen

b)

koolstofdioxide ophalen uit de longen

c)

zuurstof vervoeren naar alle delen van je lichaam

d)

koolstofdioxide ophalen vanuit alle delen van je lichaam

110.

Wat is het doel van de kleine bloedsomloop?

a)

zuurstof ophalen uit de longen

b)

koolstofdioxide afgeven aan de longen

c)

zuurstof vervoeren naar alle delen van je lichaam

d)

koolstofdioxide vervoeren naar alle delen van je lichaam

111.

Hoe heet het bloedvat dat direct van je hart afkomt?

a)

aorta

b)

onderste holle ader

c)

bovenste holle ader

d)

longader