wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VoedingQuiz - basisstof 1 t/m 5

Total questions: 109

Worksheet time: 1hrs 16mins

Name
Class
Date
1.

Schrijf het begrip op wat bij de zin past

Het veranderen van voedsel waardoor het voedsel schadelijk is voor onze gezondheid.

(a)  

2.

Schrijf het begrip op wat bij de zin past

Het behandelen van voedsel zodat het niet bederft.

(a)  

3.

Kies de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel lang verhitten op 100 graden Celsius.

a)

steriliseren

b)

pasteuriseren

c)

vacuüm verpakken

d)

invriezen

e)

drogen

4.

Kies de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel korte tijd verhitten op 72 graden Celsius.

a)

steriliseren

b)

pasteuriseren

c)

vacuüm verpakken

d)

invriezen

e)

drogen

5.

Kies de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel luchtdicht (zonder zuurstof) verpakken.

a)

steriliseren

b)

pasteuriseren

c)

vacuüm verpakken

d)

invriezen

e)

drogen

6.

Kies de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel bewaren onder een temperatuur van -12 graden Celsius.

a)

steriliseren

b)

pasteuriseren

c)

vacuüm verpakken

d)

invriezen

e)

drogen

7.

Kies de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel aan zoveel mogelijk water onttrekken.

a)

steriliseren

b)

pasteuriseren

c)

vacuüm verpakken

d)

invriezen

e)

drogen

8.

Typ de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel lang verhitten op 100 graden Celsius.

(a)  

9.

Typ de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel korte tijd verhitten op 72 graden Celsius.

(a)  

10.

Typ de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel luchtdicht (zonder zuurstof) verpakken.

(a)  

11.

Typ de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel bewaren onder een temperatuur van -12 graden Celsius.

(a)  

12.

Typ de conserveringstechniek die bij de zin past

Voedsel onttrekken van zoveel mogelijk water.

(a)  

13.

Gesteriliseerde producten bevatten nog levende micro-organismen.

a)

juist

b)

onjuist

14.

Gepasteuriseerde producten bevatten nog levende micro-organismen.

a)

juist

b)

onjuist

15.

Vacuüm verpakte producten bevatten nog levende micro-organismen.

a)

juist

b)

onjuist

16.

Ingevroren producten bevatten nog levende micro-organismen.

a)

juist

b)

onjuist

17.

Gedroogde producten bevatten nog levende micro-organismen.

a)

juist

b)

onjuist

18.

Kies de juiste dingen die de meeste micro-organismen nodig hebben om te kunnen overleven.

a)

zuurstof

b)

koolstofdioxide

c)

droge omgeving

d)

lage temperaturen

e)

voedingsstoffen

19.

THT staat voor ...

a)

Tenminste Houdbaar Tot

b)

Te Gebruikten Tot

c)

Te Herbruiken tot

20.

TGT staat voor ...

a)

Tenminste Houdbaar Tot

b)

Te Gebruikten Tot

c)

Te Herbruiken tot

21.

THT producten kun je na de houdbaarheidsdatum nog gebruiken.

a)

juist

b)

onjuist

22.

TGT producten kun je na de houdbaarheidsdatum nog gebruiken.

a)

juist

b)

onjuist

23.

Typ het begrip die bij de zin past

Het beschrijft wat je mag eten en drinken én hoe het voedsel bereid moet worden.

(a)  

24.

Kies de eetregels die passen bij de religie: Jodendom.

a)

Er wordt koosjer geconsumeerd.

b)

Er wordt vis op vrijdag gegeten.

c)

Er wordt vegetarisch gegeten.

d)

Alcohol is verboden.

25.

Kies de eetregels die passen bij de religie: Christendom.

a)

Er wordt koosjer geconsumeerd.

b)

Er wordt vis op vrijdag gegeten.

c)

Er wordt Pasen gevierd

d)

Alcohol is verboden.

26.

Kies de eetregels die passen bij de religie: Islam.

a)

Voedsel wordt verdeeld in halal en haram.

b)

Het lichaam is in leen van de natuur.

c)

Er wordt Pasen gevierd.

d)

Alcohol is verboden.

27.

Kies de eetregels die passen bij de religie: Hindoeïsme.

a)

Voedsel wordt verdeeld in halal en haram.

b)

Het lichaam is in leen van de natuur.

c)

Er vindt zo min mogelijk geweld plaats op dieren.

d)

Alcohol is verboden.

28.

Kies de eetregels die passen bij de religie: Boeddhisme.

a)

Er wordt vegetarisch gegeten.

b)

Het lichaam is in leen van de natuur.

c)

Drugs is verboden.

d)

Alcohol is verboden.

29.

Welke viering past bij de zin.

De geboorte van Jezus wordt gevierd.

a)

Kerstmis

b)

Carnaval

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

30.

Welke viering past bij de zin.

Jezus is opgestaan uit de dood.

a)

Kerstmis

b)

Carnaval

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

31.

Welke viering past bij de zin.

Het begin van de vasten wordt gevierd.

a)

Kerstmis

b)

Carnaval

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

32.

Welke viering past bij de zin.

Een periode waarin gevast wordt om de boodschap die Mohammed van God ontving te herdenken.

a)

Kerstmis

b)

Carnaval

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

33.

Welke viering past bij de zin.

Einde van de Ramadan.

a)

Kerstmis

b)

Offerfeest

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

34.

Welke viering past bij de zin.

Ter nagedachtenis aan de profeet Ibrahim (Abraham) die bereid was zijn zoon op te geven.

a)

Kerstmis

b)

Offerfeest

c)

Pasen

d)

Ramadan

e)

Suikerfeest

35.

De volgende producten mag een vegetariër niet in huis hebben/consumeren.

a)

Vis

b)

Varkensvlees

c)

Leren schoenen

d)

Wollen sokken

e)

Dierlijke gelatine

36.

De volgende producten mag een veganist niet in huis hebben/consumeren.

a)

Vis

b)

Varkensvlees

c)

Leren schoenen

d)

Wollen sokken

e)

Dierlijke gelatine

37.

Kies de juiste functie van voedsel

Ik ga uit eten met mijn vrienden, omdat ik ze al een tijdje niet heb gezien.

a)

om te leven

b)

om te groeien

c)

om te functioneren

d)

om sociale contacten te onderhouden

e)

om emoties te onderdrukken

38.

Kies de juiste functie van voedsel

Ik moet iets eten, want ik ben net flauwgevallen.

a)

om te leven

b)

om te groeien

c)

om te functioneren

d)

om sociale contacten te onderhouden

e)

om emoties te onderdrukken

39.

Kies de juiste functie van voedsel

Voor spieropbouw eet ik veel eiwitten.

a)

om te leven

b)

om te groeien

c)

om te functioneren

d)

om sociale contacten te onderhouden

e)

om emoties te onderdrukken

40.

Kies de juiste functie van voedsel

Ik kan me niet concentreren, want ik heb vandaag nog niks gegeten.

a)

om te leven

b)

om te groeien

c)

om te functioneren

d)

om sociale contacten te onderhouden

e)

om emoties te onderdrukken

41.

Kies de juiste functie van voedsel

Als ik verdrietig ben dan wordt ik gelukkig van lekker eten.

a)

om te leven

b)

om te groeien

c)

om te functioneren

d)

om sociale contacten te onderhouden

e)

om emoties te onderdrukken

42.

Kies de juiste redenen waarom voedsel lekker of niet lekker kan zijn.

a)

uiterlijk

b)

textuur

c)

geur

d)

temperatuur

e)

smaak

43.

Kies de smaak die het beste bij het plaatje past.

a)

zoet

b)

zout

c)

zuur

d)

bitter

e)

umami

44.

Kies de smaak die het beste bij het plaatje past.

a)

zoet

b)

zout

c)

zuur

d)

bitter

e)

umami

45.

Kies de smaak die het beste bij het plaatje past.

a)

zoet

b)

zout

c)

zuur

d)

bitter

e)

umami

46.

Kies de smaak die het beste bij het plaatje past.

a)

zoet

b)

zout

c)

zuur

d)

bitter

e)

umami

47.

Kies de smaak die het beste bij het plaatje past.

a)

zoet

b)

zout

c)

zuur

d)

bitter

e)

umami

48.

Kies de zintuigen waarmee je proeft.

a)

neuszintuig

b)

reukzintuig

c)

smaakzintuig

d)

proefzintuig

e)

tongzintuig

49.

Typ het juiste begrip die past bij de zin

Alles wat je eet en drinkt

(a)  

50.

Typ het juiste begrip die past bij de zin

Bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen

(a)  

51.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... zorgen ervoor dat je lichaam niet te warm of te koud wordt.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

52.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... worden pas gebruikt als je lichaam ze nodig heeft.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

53.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... zorgen ervoor dat je niet snel ziek wordt.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

54.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... zorgen ervoor dat je lichaam nieuwe cellen kan maken.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

55.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... geven energie aan je spieren en organen.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

56.

Kies de juiste functie van voedingsstoffen

... zorgen ervoor dat je kunt groeien.

a)

bouwstoffen

b)

brandstoffen

c)

beschermende stoffen

d)

reservestoffen

57.

Kies de juiste functies van koolhydraten

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

58.

Kies de juiste functies van eiwitten

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

59.

Kies de juiste functies van vetten

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

60.

Kies de juiste functies van mineralen

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

61.

Kies de juiste functies van vitaminen

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

62.

Kies de juiste functies van water

a)

bouwstof

b)

brandstof

c)

reservestof

d)

beschermende stof

63.

Kies de voedingsstof die het meeste in het product zit dat wordt afgebeeld.

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

water

64.

Kies de voedingsstof die het meeste in het product zit dat wordt afgebeeld.

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

water

65.

Kies de voedingsstof die het meeste in het product zit dat wordt afgebeeld.

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

water

66.

Kies de voedingsstof die het meeste in het product zit dat wordt afgebeeld.

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

water

67.

Kies de voedingsstof die het meeste in het product zit dat wordt afgebeeld.

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

vetten

d)

vitaminen

e)

water

68.

Een voedingsvezel is een voedingsstof.

a)

juist

b)

onjuist

69.

... zorgen ervoor dat mijn stoelgang goed verloopt.

(a)  

70.

Vitaminen, mineralen en water zijn voedingsmiddelen.

a)

juist

b)

onjuist

71.

Vet is een belangrijke bouwstof in mijn lichaam.

a)

juist

b)

onjuist

72.

Als je te veel vet eet, word je dik.

a)

juist

b)

onjuist

73.

De gele groep uit de Schijf van Vijf bevat veel vetten.

a)

juist

b)

onjuist

74.

Kalk is een belangrijk eiwit.

a)

juist

b)

onjuist

75.

Eiwitten zijn de belangrijkste brandstoffen in mijn lichaam.

a)

juist

b)

onjuist

76.

De groene groep van de Schijf van Vijf bevat veel eiwitten.

a)

juist

b)

onjuist

77.

Mijn lichaam bestaat voor meer dan de helft uit water.

a)

juist

b)

onjuist

78.

Water zorgt ervoor dat stoffen goed kunnen worden vervoerd in mijn lichaam.

a)

juist

b)

onjuist

79.

Ijzer is een voorbeeld van een vitamine.

a)

juist

b)

onjuist

80.

Het mineraal kalk is belangrijk voor de zuurstoftoevoer in mijn lichaam.

a)

juist

b)

onjuist

81.

Schrijf het begrip op dat het beste bij past bij de zin

Een maat om aan te geven hoeveel van een voedingsstof ik dagelijks nodig heb om gezond te blijven.

(a)  

82.

Per persoon verschilt de ADH, omdat ...

a)

ander geslacht

b)

ander gewicht

c)

andere stofwisseling

d)

andere erfelijke factoren

e)

andere leefwijze

83.

Kies de juiste gevolgen die kunnen optreden naar aanleiding van overgewicht.

a)

hart- en vaatziekten

b)

suikerziekte (diabetes type 2)

c)

bloedarmoede

d)

last van gewrichten

e)

dood

84.

Kies de juiste gevolgen die kunnen optreden naar aanleiding van ondergewicht.

a)

hart- en vaatziekten

b)

suikerziekte (diabetes type 2)

c)

bloedarmoede

d)

last van gewrichten

e)

dood

85.

Typ het begrip dat past bij de zin.

Ernstig overgewicht

(a)  

86.

Typ het begrip dat past bij de zin.

Ziekte waarbij iemand weigert om voldoende te eten.

(a)  

87.

Typ het begrip dat past bij de zin.

Ziekte waarbij iemand laxeermiddelen gebruikt na eetbuien.

(a)  

88.

Typ het begrip dat past bij de zin.

Ziekte dat kan leiden tot obesitas.

(a)  

89.

Klik de ziekte aan waarbij iemand onvoldoende eet.

a)

boulimia nervosa

b)

anorexia nervosa

c)

eetbuistoornis

d)

obesitas

90.

Klik de ziekte aan waarbij iemand na het eten laxeermiddelen gebruikt.

a)

boulimia nervosa

b)

anorexia nervosa

c)

eetbuistoornis

d)

obesitas

91.

Klik de ziekte aan waarbij iemand eetbuien heeft en geen laxeermiddelen gebruikt.

a)

boulimia nervosa

b)

anorexia nervosa

c)

eetbuistoornis

d)

obesitas

92.

Klik de ziekte aan waarbij iemand ernstig overgewicht heeft.

a)

boulimia nervosa

b)

anorexia nervosa

c)

eetbuistoornis

d)

obesitas

93.

Typ het begrip dat bij de zin past.

Een scheikundige stof die een andere stof kan aantonen door bijvoorbeeld te verkleuren.

(a)  

94.

Indicator voor zetmeel

a)

jodium

b)

kalkwater

c)

rodekoolsap

d)

azijn

e)

sodawater

95.

Indicator voor koolstofdioxide

a)

jodium

b)

kalkwater

c)

rodekoolsap

d)

azijn

e)

sodawater

96.

Indicator voor zuurgraden (pH)

a)

jodium

b)

kalkwater

c)

rodekoolsap

d)

azijn

e)

sodawater

97.

Hoe hoger de pH waarde, hoe ... de oplossing.

a)

zuurder

b)

basischer

98.

Hoe lager de pH waarde, hoe ... de oplossing.

a)

zuurder

b)

basischer

99.

Typ de pH-waarde waarbij een oplossing neutraal is.

(a)  

100.

Typ de indicator van zetmeel.

(a)  

101.

Typ de indicator van koolstofdioxide.

(a)  

102.

Typ de indicator van zuurgraden.

(a)  

103.

Kies het juiste gevaar waar het symbool voor waarschuwt.

a)

bijtend

b)

zuur

c)

niet mengen

d)

explosiegevaar

e)

irriterend

104.

Kies het juiste gevaar waar het symbool voor waarschuwt.

a)

bijtend

b)

zuur

c)

niet mengen

d)

explosiegevaar

e)

irriterend

105.

Typ het juiste begrip dat bij de zin past.

Een stof die helpt bij het mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn.

(a)  

106.

Zeep bestaat uit een kop en een staart.

De kop is ...

a)

hydrofiel

b)

hydrofoob

107.

Zeep is een emulgator en bestaat uit een kop en een staart.

De staart is ...

a)

hydrofiel

b)

hydrofoob

108.

Hydrofoob betekent ...

a)

goede vriend van water

b)

angst voor water

109.

Hydrofiel betekent ...

a)

goede vriend van water

b)

angst voor water