wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begintoets grammatica klas 2 nov. 2020

Total questions: 25

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord:

Wij gaan vandaag een toets maken.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

2.

Benoem het onderstreepte woord:

Wij gaan vandaag een toets maken.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

3.

Een werkwoordelijk gezegde bestaat uit alle werkwoorden van de zin.

a)

Dit is juist.

b)

Dit is onjuist.

4.

Benoem het onderstreepte woord:

Ling wordt een beroemd chirurg.

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

5.

Benoem het onderstreepte woord:

Blijft Antonio vandaag ziek?

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

6.

Benoem het onderstreepte woord:

Blijft Antonio vandaag op school?

a)

hulpwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

koppelwerkwoord

7.

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?

De beroemde zanger is altijd aardig gebleven.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

8.

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?

Het kindje wordt om drie uur opgehaald van school.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

9.

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?

Takkie is echt een lief hondje.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

10.

Een naamwoordelijk gezegde bestaat alleen uit een naamwoordelijk deel.

a)

Ja, klopt, dat is de eigenschap van het onderwerp

b)

Nee, er hoort ook een werkwoordelijk deel bij, dat zijn alle werkwoorden uit de zin.

11.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Gisteren heeft mijn buurvrouw een baby gekregen.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

12.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Gisteren heeft mijn buurvrouw een baby gekregen.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

13.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Gisteren heeft mijn buurvrouw een baby gekregen.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

14.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Pascal geeft zijn hond elke dag een bot.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

15.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Pascal geeft zijn hond elke dag een bot.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

16.

Benoem het onderstreepte zinsdeel:

Pascal geeft zijn hond elke dag een bot.

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bijwoordelijke bepaling

17.

Benoem het onderstreepte woord:

Pascal geeft zijn hond elke dag een bot.

a)

koppelwerkwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

18.

Benoem het onderstreepte woord:

Die aardige agent helpt het oude vrouwtje met oversteken.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

lidwoord

c)

persoonlijk voornaamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

19.

Benoem de onderstreepte woorden:

Mijn auto is kleiner dan de jouwe.

a)

2x bezittelijk voornaamwoord

b)

1x bezittelijk voornaamwoord + 1x persoonlijk voornaamwoord

c)

2x persoonlijk voornaamwoord

d)

1x persoonlijk voornaamwoord + 1x bezittelijk voornaamwoord

20.

Benoem het onderstreepte woord:

Hij geeft mij zo'n dikke knuffel dat ik bijna omval.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

21.

Benoem het onderstreepte woord:

Hij geeft mij zo'n dikke knuffel dat ik bijna omval.

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

aanwijzend voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

d)

lidwoord

22.

Benoem de onderstreepte woorden:

Daar ligt een elastiekje, ik geef het aan het meisje.

a)

2x lidwoord

b)

1x lidwoord + 1x persoonlijk voornaamwoord

c)

1x persoonlijk voornaamwoord + 1x lidwoord

d)

2x persoonlijk voornaamwoord

23.

Zijn dit alle koppelwerkwoorden?

zijn, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

a)

nee, ik mis 'branden'

b)

nee, ik mis 'lopen'

c)

nee, ik mis 'worden'

d)

Ja, dit rijtje is compleet

24.

werkwoordelijk gezegde of naamwoordelijk gezegde?

De zon schijnt vandaag de hele dag.

a)

nwg, want schijnen is een koppelwerkwoord

b)

wwg, schijnen is hier geen kww, want het betekent licht geven.

25.

Maak deze gouden regel af:

Als er meer werkwoorden in de in staan, is de persoonsvorm altijd een....

a)

koppelwerkwoord

b)

zelfstandig werkwoord

c)

hulpwerkwoord