wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Staal woordenschat "Klein"

Total questions: 14

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Welk dier is donzig?

a)
b)
c)
d)
2.

Hoe voelt kikkerdril?

a)

Hard

b)

Glad

c)

Glibberig

d)

Zacht

3.

Wat heeft dit kuiken kapot gemaakt?

a)

Zijn snavel.

b)

Het ei.

c)

De eierschaal

d)

Het eigeel

4.

Wat doen deze mieren hier?

a)

Ze eten iets lekkers.

b)

Ze krioelen.

c)

Ze tillen iets op.

d)

Ze spelen.

5.

Welke dieren krioelen?

a)

Paarden en veulens

b)

Kippen en kuikens

c)

Wormen en kikkervisjes

d)

De koe en haar kalf.

6.

Ik koop een kadetje.

Wat koop ik dan?

a)

Een worstenbroodje

b)

Een bal om mee te spelen.

c)

Een gevuld broodje.

d)

Een klein, zacht broodje.

7.

Wat klopt niet?

a)

Het paard heeft forse benen.

b)

Wij hebben een forse pup in huis.

c)

Een mier is een fors dier.

d)

Die man sport veel. Hij heeft forse armen.

8.

Welk dier is het tegengestelde van pietepeuterig?

a)
b)
c)
d)
9.

Wat is niet kolossaal?

a)
b)
c)
d)
10.

Welk dier is een insect?

a)

De tijger

b)

De poes

c)

De spin

d)

De beer

11.

Wat heeft een insect op zijn kop?

a)

Poten

b)

Sprieten

c)

Een staart

d)

Vleugels

12.

Welke 3 dingen horen bij een insect?

a)

Ogen, zwarte kleur en sprieten.

b)

Een kop met sprieten, een lijf met 6 poten, een achterlijf.

c)

Vleugels, ogen en een mond.

d)

Een fors lijf, grote ogen en een lange staart.

13.

Waar zie je stekjes?

a)
b)
c)
d)
14.

Wat betekent miezerig?

a)

Klein, maar belangrijk.

b)

Heel klein en niet belangrijk.

c)

Groot en sterk.

d)

Klein en fors.