wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

GL3 3.1 en 3.2

Total questions: 12

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Indirecte ruil betekent dat je het ene product ruilt tegen het andere product.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Janneke ziet in de etalage een T-shirt dat €19,95 kost.

Welke functie heeft geld hier?

a)

Ruilmiddel

b)

Spaarmiddel

c)

Rekenmiddel

3.

Mijn opa betaalt het liefst contant. Daarom gaat hij elke week pinnen bij de geldautomaat. Wat gebeurt er op dat moment met de girale geldhoeveelheid?

a)

wordt kleiner

b)

blijft gelijk

c)

wordt groter

4.

Het geld op mijn spaarrekening is...

a)

chartaal geld

b)

giraal geld

c)

geen van beide

5.

Hans begint de maand met een debetsaldo van € 4,67. Er wordt die maand € 53,12 afgeschreven en €47,19 bijgeschreven. Bereken zijn nieuwe saldo.

a)

debetsaldo €10.60

b)

creditsaldo €10,60

c)

debetsaldo €1,26

d)

creditsaldo €1,26

6.

Als je betaalt met een creditkaart wordt het geld meteen van je rekening afgeschreven.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

De rente die je krijgt als je spaart is meestal hoger dan de rente die je betaalt als je leent.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Je kunt sparen voor een doel of uit voorzorg.

Je kunt ook sparen voor...

(a)  

9.

Het geld op je spaarrekening is...

a)

vrij opneembaar en je krijgt een variabele rente

b)

vrij opneembaar en je krijgt een vaste rente

c)

niet vrij opneembaar en je krijgt een variabele rente

d)

niet vrij opneembaar en je krijgt een vaste rente

10.

Als de rente hoger is dan de inflatie wordt mijn spaargeld...

a)

minder waard

b)

niet minder, maar ook niet meer waard

c)

meer waard

11.

Ik heb €3.100 op een spaardeposito met 3,3% rente.

Hoeveel rente krijg ik na 5 maanden? (Enkelvoudige rente)

(a)  

12.

Er staat €500,- op mijn spaarrekening. De (samengestelde) rente is 0,7%.

Welk bedrag staat er na 2 jaar op mijn spaarrekening?

(a)