wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Nederland omgaan met energie en water 2

Total questions: 33

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

De strijd van Nederland heeft te maken met:

a)

De hoge ligging van het land

b)

De hoogte van het zeewater

c)

De lage ligging van het land

2.

Welke 2 dingen zorgen ervoor dat Laag-Nederland niet onder water loopt?

(a)  

3.

Land dat omringd wordt door dijken en waar de mens kunstmatig het waterpeil regelt is:

(a)  

4.

In (a)   overstroomde een groot deel van Zuidwest-Nederland

5.

Wat gebeurde er bij de ramp in Zeeland?

a)

De zee kwam via de inhammen in Zeeland het land binnen.

b)

Het water werd hoog opgestuwd in de zeegaten.

c)

Er was een noordwesterstorm

d)

De dijken braken

e)

de stormvloedkeringen waren gebroken

6.

Na de ramp in Zeeland zijn:

a)

De Deltawerken gebouwd

b)

De stormvloedkeringen gebouwd

c)

De dijken verlaagd

d)

De zeegaten open gemaakt

7.

Wat gebeurt er in een een deel van Nederland ook nog, naast de klimaatverandering?

a)

De zee stijgt

b)

Het land stijgt

c)

Het land daalt

d)

De zee daalt

8.

De combinatie van de zeespiegelstijging en de daling van de bodem heet:

(a)  

9.

Hoe komt het dat het land in Nederland daalt?

a)

Doordat er in de ijstijd in Scandinavië een kilometersdikke laag ijs lag. Die was zo zwaar dat de aardkorst een beetje werd ingedrukt. Toen het ijs smolt, verdween het gewicht en veerde de aardkorst in Scandinavië omlaag. Daardoor zakt het land in Nederland.

b)

Doordat er in de ijstijd in Scandinavië een kilometersdikke laag ijs lag. Die was zo zwaar dat de aardkorst een beetje werd ingedrukt. Toen het ijs smolt, verdween het gewicht en veerde de aardkorst in Scandinavië op. Daardoor zakt het land in Nederland.

10.

Als je polders droogmaakt, komt de bovenste laag van de bodem boven het (a)   uit.

11.

Als er geen grondwater is:

a)

komt de grond omhoog

b)

zakt de grond in

c)

blijft de grond gelijk

12.

Wanneer zie je het inzakken van grond vooral?

a)

Als de grond uit veen bestaat

b)

Als de grond uit klei bestaat

c)

Als de grond uit zand bestaat

13.

Veen bestaat uit:

a)

klei

b)

dode plantenresten

c)

zand

d)

water

14.

Als je water uit veen haalt:

a)

zakt de grond verder in

b)

blijft de grond gelijk

c)

droogt de grond uit

d)

vergaan de plantenresten

15.

Voorbeelden van delfstoffen zijn:

a)

aardgas

b)

klei

c)

veen

d)

steenkool

e)

aardolie

16.

Hoe wordt Nederland beschermt tegen de stijging van de zeespiegel?

a)

Door zand op te spuiten

b)

Door dijken

c)

Door het water te verlagen

d)

Door de duinen te verstevigen

e)

Door het land te verhogen

17.

Zand op de bodem van de zee voor de kust zorgt er voor dat de golven (a)  

18.

Het in grote hoeveelheden opspuiten van zand voor de kust heet:

a)

zandopspuiting

b)

zandtoevoeging

c)

zandsuppletie

d)

zandsupplementen

19.

Door klimaatverandering stijgt de temperatuur. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de zeespiegel, maar ook voor de (a)  

20.

Hoe komt het dat er meer regen valt als gevolg van klimaatverandering?

a)

doordat de lucht warmer wordt

b)

doordat er meer waterdamp ontstaat

c)

doordat de waterdamp zakt

d)

doordat er meer vocht in de lucht komt

21.

Als er meer regen valt moeten de ................ meer water afvoeren

a)

dijken

b)

uiterwaarden

c)

zeeën

d)

rivieren

22.

Water komt niet alleen uit Nederland, maar ook uit:

a)

Zwitserland

b)

Duitsland

c)

België

d)

Polen

e)

Frankrijk

23.

De gebieden waar rivieren doorheen stromen, noemen we (a)  

24.

Welke kenmerken van klimaatverandering zien we nog meer?

a)

Er valt geen sneeuw maar regen in de berggebieden

b)

Er stroomt te weinig water in de rivieren

c)

Er zijn zware stortbuien in de zomer

d)

De sneeuw smelt, daardoor stroomt er veel water tegelijk naar de rivieren.

25.

Mensen beschermen zich in riviergebieden tegen overstromingen door middel van:

a)

Dijken, namelijk zomerdijken en winterdijken. Daarnaast hebben rivieren uiterwaarden.

b)

Dijken, met uiterwaarden en riviergebieden

c)

Dijken en duinen

d)

Dijken, met uiterwaarden waar gebouwen staan.

26.

Leg uit hoe mensen dijken bouwen langs de rivieren:

a)

Langs hoge delen komen winterdijken

b)

Langs hoge delen komen zomerdijken

c)

Een dijk biedt in de zomer bescherming tegen de rivier als er weinig water stroomt.

d)

Tussen de rivier en de zomerdijk liggen uiterwaarden

e)

Tussen de rivier en de winterdijk liggen uiterwaarden

27.

Uiterwaarden zijn:

a)

gebieden die droog blijven liggen

b)

gebieden die onder water stromen in de winter

c)

gebieden die gebruikt worden om vee op te laten grazen

d)

gebieden waar gebouwen staan

28.

Langs de oevers van de rivieren legt men (a)   aan. Dit zijn korte, stenen dammen die een eind het water in steken.

29.

Kribben zorgen ervoor dat:

a)

de rivier zijn eigen weg kan blijven gaan

b)

de rivier in zijn gebaande rivierbed blijft

c)

de rivier het snelst blijft stromen in het midden

d)

de rivier langzaam stroomt

30.

In de rivier zijn stuwen gebouwd. Wat is de functie daarvan?

a)

Ze zorgen ervoor dat hoog water hoog blijft en laag water laag.

b)

Ze regelen hoeveel water er door de verschillende rivieren naar zee stroomt.

c)

Ze regelen de stand van het water

31.

Wat kun je vertellen over plan: Ruimte voor de rivier

a)

Dit gebeurde in 1985

b)

De rivieren de Rijn en Maas stonden zo hoog dat ze bijna over de dijk stroomden.

c)

Dit plan werd gemaakt om te zorgen voor de dijken

d)

Rivieren werden verbreed

e)

Gebouwen werden uit de uiterwaarden gehaald.

32.

In Nijmegen werden bij het plan 'Ruimte voor water' ook aanpassingen gedaan. Welke?

a)

Rivieren kregen kribben en uiterwaarden en er kwam een nevengeul

b)

De rivier werd verbreed, de dijk werd verplaatst en er kwam een nevengeul.

c)

De rivier werd leeggepompt en kreeg uiterwaarden.

33.

Wat gebeurt er om ruimte voor water in de stad te creëren?

a)

Er worden goede afvoermogelijkheden aangelegd

b)

Er worden groenstroken en waterpleinen aangelegd

c)

Er worden grasvelden en riolering aangelegd

d)

Er worden parken aangelegd en geulen in de wegen gemaakt