wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Leerstof 2e jaar 1e trimester Campus 2

Total questions: 130

Worksheet time: 1hrs 9mins

Name
Class
Date
1.

Welk signaalwoord hoort er bij het tekstverband opsomming?

a)

ook

b)

maar

c)

eerst

d)

doordat

2.

Welk signaalwoord hoort er bij het chronologisch tekstverband?

a)

Eerst

b)

En

c)

Doordat

d)

echter

3.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Slechte nachten zorgt voor chagrijnige mensen . Ook ongezonde voeding zorgt voor een slecht humeur.

a)

chronologisch

b)

beschrijvend

c)

vergelijkend

d)

opsommend

4.

Welk tekstverband hoort er bij onderstaande zin?


Je moet eerst de bloemen schuin afsnijden, daarna doe je water in een vaas en als laatste doe je de bloemen in de vaas.

a)

chronologisch

b)

vergelijkend

c)

opsommend

d)

beschrijvend

5.

Welk tekstverband zie je tussen deze zinnen?


Vancouver Island heeft ontzettend veel mooie natuur te bieden. Ook kun je er met een boot op zoek gaan naar walvissen en beren en zwemmen tussen de zalmen.

a)

vergelijkend

b)

opsommend

c)

chronologisch

d)

beschrijvend

6.

'Ten eerste', 'ten tweede' en 'bovendien' geven een opsomming aan

a)

Juist

b)

Fout

7.

Voorbeelden van signaalwoorden zijn:

a)

daartegenover, daarna, ten slotte.

b)

Juist, deze, hij, die.

c)

Dat, doen, daar, het, om, uit.

d)

Geen van allen.

8.

Een chronologisch verband beschrijft gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde.

a)

Deze stelling is juist

b)

Deze stelling is onjuist

9.

Van welk verband is sprake in de volgende zin?


Ik ga straks eerst naar huis, dan ga ik mijn huiswerk maken en daarna ga ik tv-kijken.

a)

Opsommend

b)

Chronologisch

c)

Vergelijkend

d)

Beschrijvend

10.

Werkwoordspelling: Vervoeg correct in de tegenwoordige tijd: Het huisvuil (worden) dinsdag opgehaald.

a)

word

b)

wordt

c)

wort

11.

Werkwoordspelling: Vervoeg correct in de verleden tijd: De bejaarden (rusten) op een bankje.

a)

rusten

b)

rustten

12.

Vul aan met de correcte spelling van het voltooid deelwoord: Hij is net (verhuizen).

a)

verhuist

b)

verhuisd

13.

Wat is het hoofdwerkwoord in de zin: 'Hij zal de sleutel wel al gevonden hebben.'

a)

zal

b)

gevonden

c)

hebben

14.

Wat is het hoofdwerkwoord in de volgende zin: 'De jongens blijken heel lastig te zijn.'

a)

blijken

b)

te zijn

15.

Wat is 'lijkt' in de volgende zin: 'Hij lijkt een leeuw na te bootsen.'

a)

hulpwerkwoord

b)

koppelwerkwoord

c)

zelfstandig werkwoord

16.

Wat is 'hebben' in de volgende zin? 'Ik zal de antwoorden gevonden hebben.'

a)

hulpwerkwoord

b)

koppelwerkwoord

c)

zelfstandig werkwoord

17.

Benoem 'een poets' in de zin: 'De leerlingen bakten de leerkracht gisteren een poets.'

a)

ADPV

b)

wkd.vn.

c)

uitdr.

d)

LV

18.

Benoem 'de leerkracht' in de zin 'Hij gaf de leerkracht een waarschuwing.'

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

bepaling

19.

Benoem 'me' in de zin 'Ik vergeef het me nooit.'

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

wederkerend voornaamwoord

d)

meewerkend voorwerp

20.

Welke leesstrategie gebruik je? Je zoekt in de catalogus van jullie bibliotheek naar een boek voor je lijst.

a)

oriënterend lezen

b)

voorspellend lezen

c)

zoekend lezen

d)

kritisch lezen

21.

Welke leesstrategie hanteer je? Bij het leren van een proefwerk over de geschiedenis over Europa onderstreep je de hoofdzaken.

a)

zoekend lezen

b)

globaal lezen

c)

intensief lezen

d)

kritisch lezen

22.

Welke leesstrategie hanteer je? Je kijkt wie een bepaald artikel heeft geschreven en waar het gepubliceerd is.

a)

oriënterend lezen

b)

globaal lezen

c)

zoekend lezen

23.

Welk soort bepaling is 'gisteren' in de zin: 'Gisteren zouden wij op het IJsselmeer gaan zeilen.'

a)

van tijd

b)

van plaats

c)

van reden

d)

van manier

24.

Welk soort bepaling is 'met de fiets of brommer' in de zin: 'Zij gaat met de fiets of brommer naar het popconcert.'

a)

plaats

b)

manier

c)

middel

d)

reden

25.

Wat is/zijn de bepaling(en) in de volgende zin? In 2018 ben ik vaak ziek geweest.

a)

'In 2018'

b)

'In 2018' en 'ziek'

c)

'In 2018' en 'vaak'

d)

'In 2018', 'ziek' en 'vaak'

26.

Juist of fout: 'erg rumoerig' is een bepaling van manier in de zin 'Tijdens de voorstelling voor de brugklassen was het erg rumoerig in de zaal.'

a)

juist

b)

fout

27.

Zijn jullie de voorbije maanden al naar een horrofilm gaan kijken?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

28.

De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

29.

Ben je al vaak bang geweest tijdens series of films?

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

30.

Om mijn stress onder controle te houden, eet ik dan popcorn.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

31.

De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

32.

Mijn beste vriend houdt van enge films. Ik gaf hem daarom een dvd-box met horrorfilms.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

33.

Nodigde jij je vrienden al uit?

a)

mv

b)

wed. vn.

c)

lv

d)

adpv

34.

Wat is het nwd in deze zin?

Ik ben nog nooit zo bang geweest als tijdens de film IT.

(a)  

35.

Waaruit bestaat het wwg in deze zin?

Ik kijk er al naar uit om me opnieuw te verstoppen onder een deken tijdens de volgende film.

a)

pv + adpv + vd

b)

pv + wed. vn. + inf.

c)

pv + adpv + wed. vn. + te + inf.

d)

pv + inf. + wed. vn. + mv

36.

Het was me vlug duidelijk.

a)

O

b)

PV

c)

LV

d)

MV

37.

Hiermee werden de slaven geboeid.

a)

pv

b)

vd

c)

inf

38.

Wie heb je toen uitgenodigd?

a)

pv

b)

vd

c)

inf

39.

Wie heeft de bloemen vers water gegeven?

a)

LV

b)

MV

40.

Wie heeft de bloemen vers water gegeven?

a)

LV

b)

MV

41.

Over de torens en muren waaien de lage stormwolken naar het westen.

a)

LV

b)

MV

c)

O

42.

Het was me vlug duidelijk.

a)

LV

b)

NWD

43.

Op dat belangrijk ogenblik vergiste de piloot zich schromelijk.

a)

O

b)

LV

c)

wed. vn

44.

Wie heb je toen uitgenodigd?

a)

O

b)

LV

c)

MV

45.

Wat is de juiste betekenis van de uitdrukking 'een luistervink zijn'?

a)

Als je iet gehoorzaamt, krijg je straf.

b)

Iemand zijn die stiekem afluistert.

c)

Aangenaam klinken.

46.

Wat is de juiste betekenis van de uitdrukking 'de stal ruiken'?

a)

merken dat je bijna thuis bent en zich daardoor haasten

b)

laten merken dat je niet bang bent

c)

er nog van willen hebben

47.

Kies het juiste synoniem voor 'lopen' dat in de context past.


Per ongeluk ... ik over de banaan en viel bijna.

a)

wandelde

b)

hinkte

c)

struikelde

48.

Kies het juiste synoniem voor 'schoonmaken' dat in de context past.


Je bent gevallen! Wacht, laat me je wonde ...

a)

afwassen

b)

afspoelen

c)

ontsmetten

49.

Kies het juiste synoniem voor 'gaan' dat in de context past.


De meisjes ... door de winkelstraat met hun nieuwe outfits.

a)

wandelen

b)

flaneren

c)

rennen

50.

Kies het juiste synoniem voor 'schoonmaken' dat in de context past.


Wil jij de vloer ... ? Dan zal ik de vaatwas ledigen

a)

poetsen

b)

schrobben

c)

zuiveren

51.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

52.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Om mijn stress onder controle te houden, eet ik dan popcorn.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

53.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


De film 'IT' bezorgde mij een slapeloze nacht.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

54.

Benoem het onderstreepte zinsdeel.


Mijn beste vriend houdt van enge films. Ik gaf hem daarom een dvd-box met horrorfilms.

a)

nwg

b)

wwg

c)

lv

d)

mv

55.

Het kindje probeert te horen wat mama en papa vertellen over zijn kerstcadeau. Hij is enorm nieuwsgierig. Hij is een (a)  

56.

Lisa vindt de jongen heel lief, maar ze vindt hem niet zo knap. Ze vindt dat hij wat te weinig spieren heeft, maar je moet je toch niet zo (a)   op iets.

57.

Daens was zo een mooie musical. Ik genoot de hele tijd van dit spektakel. Het (a)   , ik wil nog meer zien!

58.

Je mag de seizoensfinale van Thuis al zien, maar verklap het nog niet aan anderen. Onthoud goed: (a)   , zien en zwijgen!

59.

Toen ik merkte dat de deurklink loshing, voelde ik al (a)   . Iemand heeft ingebroken.

60.

Over 2 minuutjes zijn we thuis: ik (a)   al!

61.

Als je niet gehoorzaamt, krijg je straf. Wie niet ___, ___

(a)  

62.

Het kindje probeert te horen wat mama en papa vertellen over zijn kerstcadeau. Hij is enorm nieuwsgierig. Hij is een (a)  

63.

Lisa vindt de jongen heel lief, maar ze vindt hem niet zo knap. Ze vindt dat hij wat te weinig spieren heeft, maar je moet je toch niet zo (a)   op iets.

64.

Daens was zo een mooie musical. Ik genoot de hele tijd van dit spektakel. Het (a)   , ik wil nog meer zien!

65.

Je mag de seizoensfinale van Thuis al zien, maar verklap het nog niet aan anderen. Onthoud goed: (a)   , zien en zwijgen!

66.

Toen ik merkte dat de deurklink loshing, voelde ik al (a)   . Iemand heeft ingebroken.

67.

Over 2 minuutjes zijn we thuis: ik (a)   al!

68.

Als je niet gehoorzaamt, krijg je straf. Wie niet ___, ___

(a)  

69.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:


Na het ontbijt ga ik altijd mijn tanden schoonmaken om ze schoon en gezond te houden.

(a)  

70.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de volgende zin:

In de moestuin moet ik het onkruid weghalen, zodat de groenten voldoende ruimte hebben om te gooien.

(a)  

71.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:


Elke week moet Joris de stal schoonmaken om te zorgen dat de koeien in een mooi omgeving kunnen leven.

(a)  

72.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Na het koken moet ik de oven goed schoonmaken om de vetvlekken te verwijderen.

(a)  

73.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Voordat je het aquarium vervangt, moet je eerst het oude water schoonmaken om de vissen niet te schaden.

(a)  

74.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Ik ben zo moe van het koken en nu moet ik de wijnglazen ook nog eens schoonmaken.

(a)  

75.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

De verpleegkundige moest de wonde zorgvuldig schoonmaken om infecties te voorkomen.

(a)  

76.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

De soldaten liepen ritmisch door de modder, vastberaden om hun opdracht te voltooien.

(a)  

77.

Geef de juiste synoniemen voor de vetgedrukte woorden. Plaats jouw antwoorden naast elkaar volgens onderstaande manier: xx - xx
Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Nadat hij een vreemde schaduw zag, begon hij eerst heel hard te lopen, maar bij de stoep viel hij plots onhandig door een losliggende tegel.

(a)  

78.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Met opgeheven hoofd en elegante passen liep Elise over de boulevard, genietend van de bewonderende blikken om haar heen.

(a)  

79.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Toen de bel ging, hoorde je de studenten luid de school gehaast en wild lopen, blij dat de les eindelijk voorbij was.

(a)  

80.

Geef het juiste synoniem voor het vetgedrukte woord. Zorg ervoor dat jouw antwoord past in de context:

Na de valpartij was hij gedwongen om de rest van de wandeling te steunen op één been, maar gelukkig bleef hij glimlachen.

(a)  

81.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Anouck stond stiekem achter de deur af te luisteren toen ze probeerde te horen wat mevrouw Duchi en de directeur over de klas aan het bespreken waren.

a)

een echte luistervink zijn

b)

zich blind staren op iets

c)

horen, zien en zwijgen

d)

Wie niet horen wil, moet voelen.

e)

in het duister tasten

82.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Jasper won samen met zijn ploeg het eerste basketbaltoernooi. Zijn team wilde kost wat kost de volgende wedstrijd ook winnen.

a)

het oor strelen

b)

de tanden laten zien

c)

naar meer smaken

d)

nattigheid voelen

83.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Nog voordat het laatste belsignaal ging, begon Candice zich te haasten en maakte ze zich klaar om zo snel mogelijk de school uit te rennen richting huis.

a)

een luistervink zijn

b)

de tanden laten zien

c)

nattigheid voelen

d)

de stal ruiken

84.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Tijdens de wiskundeles zat Milan alleen maar te knikken, maar eigenlijk wist hij helemaal niets over wat al die vergelijkingen betekenden.

a)

de stal ruiken

b)

in het duister tasten

c)

nattigheid voelen

d)

naar meer smaken

85.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Toen Michelle en Alies te luidruchtig werden en veel te veel begonnen te lachen, besloot de leerkracht om in te grijpen en riep ze de leerlingen streng tot orde.

a)

nattigheid voelen

b)

het oor strelen

c)

de tanden laten zien

d)

zich blind staren op iets

86.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

De presentatie van Emilia en Aster was heel aangenaam om naar te luisteren. Ze kregen dan ook een luid applaus van hun enthousiaste klasgenoten.

a)

naar meer smaken

b)

zich blind staren op iets

c)

Wie niet horen wil, moet voelen.

d)

het oor strelen

87.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Toen de LO-leerkracht plotseling naar de telefoon greep tijdens de les, merkte Maarten dat er iets niet klopte. Zou hij nu toch betrapt zijn op spijbelen van de training gisteren?

a)

nattigheid voelen

b)

in het duister tasten

c)

de stal ruiken

d)

horen, zien en zwijgen

88.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

De leraar had al meerdere keren gezegd dat Esmée geen "patatjes" mocht meebrengen naar de les. Toen ze dit toch bovenhaalde, kreeg ze straf.

a)

Wie niet horen wil, moet voelen.

b)

nattigheid voelen

c)

de tanden laten zien

d)

naar meer smaken

89.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

In de pauze waren Omérine en Nina getuige van een ruzie tussen leerlingen op de speelplaats, maar ze besloten om er verder niets van te zeggen. Ze wilden zich niet bemoeien met andermans drama.

a)

Wie niet horen wil, moet voelen.

b)

Wie niet horen wil, moet voelen.

c)

horen, zien en zwijgen

d)

in het duister tasten

90.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Valentine had zich zó goed voorbereid op de eerste vraag van haar presentatie. Ze concentreerde zich volop op het eerste stukje van haar tekst en vergat daardoor wat ze daarna nog moest zeggen.

a)

zich blind staren op iets

b)

het oor strelen

c)

een luistervink zijn

d)

in het duister tasten

91.

Welk figuurlijk taalgebruik past bij onderstaande situatie?

Tijdens de finale van het hockeytoernooi, waarin het er fel aan toe ging, besloot Gisèle om eindelijk zich goed en stevig te verdedigen. Ze ging vol overtuiging naar de goal, vastberaden om de overwinning voor haar team binnen te halen.

a)

de tanden laten zien

b)

de stal ruiken

c)

horen, zien en zwijgen

d)

zich blind staren op iets

92.

Welk woord past in de volgende zin?

Terwijl Emma over haar boeken gebogen zat, voelde ze dat er iemand naar haar zat te ... (stiekem kijken). Toen ze opkeek, bleek het haar crush te zijn die haar een glimlach gaf.

a)

loeren

b)

staren

c)

waarnemen

d)

zien

93.

Welk woord past in de volgende zin?

Tijdens de Franse les bracht de leraar verschillende Franse kaasjes mee. De leerlingen mochten deze ... (iets heel lekker vinden).

(a)  

94.

Welk woord past in de volgende zin?

In de pauze zat Julie ontspannen aan haar cappuccino te ... (een klein teugje drinken), terwijl haar vriendinnen druk verhalen aan het vertellen waren.

(a)  

95.

Welk woord past in de volgende zin?

An zat diep in gedachten tot ze ... (informatie te weten komen) dat ze als enige in de klas de toets gehaald had zonder fouten. Dit maakte haar enorm trots.

a)

vernam

b)

aanhoorde

c)

luisterde

96.

Welk woord past in de volgende zin?

Nadat Lukas zijn gymtas het hele weekend in zijn kluisje had laten liggen, begon die maandagochtend behoorlijk te ... (onaangename geur ruiken). Hij nam deze snel mee naar huis om door zijn mama te laten wassen.

a)

stinken

b)

snuffelen

c)

ruiken

d)

bespeuren

97.

Welk woord past in de volgende zin?

An, Sien en Julie stonden in de leraarszaal bij het raam en ... (keken stiekem) naar buiten om te zien wat Lukas nu weer aan het uitspoken was op de speelplaats.

(a)  

98.

Welk figuurlijk taalgebruik past in onderstaande zin?

Volgende week hebben de leerlingen een toets Nederlands over de woordenschat van les 11. Ze vinden het best leuk om dit te studeren en vooral omdat sommige woorden ... (heel aangenaam klinken) en echt plezierig zijn om te gebruiken.

(a)  

99.

Noteer het voltooid deelwoord

Ik heb me angstig (voelen).

(a)  

100.

Noteer het voltooid deelwoord

Hij heeft veel tijd aan mij (besteden).

(a)  

101.

Noteer het voltooid deelwoord

Dat is nog niet zo vaak (gebeuren).

(a)  

102.

Noteer het voltooid deelwoord

Ik heb echt (proberen).

(a)  

103.

Noteer het voltooid deelwoord

Hij heeft me uiteindelijk (inhalen).

(a)  

104.

Noteer het voltooid deelwoord

Ik heb me (opjagen) om op tijd terug te zijn.

(a)  

105.

Noteer het voltooid deelwoord

Wie heeft de telefoon (uitvinden)?

(a)  

106.

Noteer het voltooid deelwoord

We hebben die file (mijden).

(a)  

107.

Noteer het voltooid deelwoord

Het mes is (slijpen).

(a)  

108.

Noteer het voltooid deelwoord

Ze heeft deze heerlijke maaltijd (verslinden).

(a)  

109.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Katoen komt van de katoenplant. Katoen is een zachte, ééncellige vezel die uit de opperhuid van de zaden van de katoenplant groeit. De vezels worden doorgaans tot draden gesponnen en gebruikt om zacht, luchtdoorlatend textiel van te maken.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

110.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Hieronder de voordelen van katoen:

Voordelen:

- Katoen neemt vocht op.

- Katoen voelt zacht aan.

- Ademend

- Licht

- Goedkoop

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

111.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Polyester is in tegenstelling tot katoen gemaakt van een synthetische vezel. Polyester heeft dankzij de kromming van de vezel een zeer goede veerkracht en is zeer licht. Bovendien is polyester vorm- en kleurvast, glad, duurzaam en is resistent tegen zweet. Deze stof trekt het vocht weg van de huid en stuwt het naar de buitenste lagen. Daarom blijft het vocht niet in het shirt ‘hangen’ zoals bij katoen. Daarnaast heeft polyester een hoog smeltpunt en kan polyester sportkleding daarom goed bedrukt worden. Om deze redenen gebruiken wij voor ons eigen merk alleen maar polyester stoffen voor zowel sportshirts, sportbroekjes, als trainingspakken.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

112.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Het lijkt misschien alsof kikkers en padden hetzelfde zijn, maar ze verschillen eigenlijk behoorlijk van elkaar. Er zijn een boel fysieke verschillen, zoals het verschil in huid, kleur, en lichaamstype. Ze verschillen ook in hun gedrag van elkaar. Een kikker zal bijvoorbeeld dichtbij het water blijven, terwijl een pad er verder vanaf kan zijn. Kikkers springen ook hoger dan padden. Als je goed kijkt en op de details let zou je het verschil moeten kunnen zien tussen een pad en een kikker.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

113.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Zet je laptop aan en start de Windows setup. Allereerst voer je de taal, tijdsindeling en de toetsenbordindeling in die je wilt gaan gebruiken. In het volgende scherm krijg je de keuze om een een tweede toetsenbordindeling toe te voegen. Wil je dit niet klik dan op 'Overslaan'.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

114.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Android en iOS verschillen op veel gebieden van elkaar. Waar iOS enkel voor Apple is ontwikkeld, wordt het Android besturingssysteem door meerdere merken gebruikt. Apple iOS blinkt met name uit in de eenvoud en het gebruiksgemak. Het besturingssysteem sluit naadloos aan op de producten van Apple.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

beschrijvend

d)

vergelijkend

115.

Welk tekstverband vind je terug in het volgende tekstje?


Elisabeth, Prinses van België, Hertogin van Brabant, werd op 25 oktober 2001 te Anderlecht geboren en is het eerste kind van Hunne Majesteiten de Koning en de Koningin.

Als oudste is Prinses Elisabeth de eerste in de volgorde van de troonsopvolging. Sinds 21 juli 2013 draagt Elisabeth de titel van Hertogin van Brabant, een titel die is voorbehouden aan de vermoedelijke erfgenaam/erfgename.

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

vergelijkend

d)

beschrijvend

116.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daarenboven'?

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

vergelijkend

d)

beschrijvend

117.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daarentegen'?

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

vergelijkend

d)

beschrijvend

118.

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord 'daarna'?

a)

chronologisch

b)

opsommend

c)

vergelijkend

d)

beschrijvend

119.

Waar of niet waar?


Het signaalwoord "aan de ene kant ... aan de andere kant" behoort tot het vergelijkend verband.

a)

waar

b)

niet waar

120.

Waar of niet waar?


Het signaalwoord "ten slotte" behoort tot het beschrijvend verband.

a)

waar

b)

niet waar

121.

Waar of niet waar?


Het signaalwoord "ook" behoort tot het chronologisch verband.

a)

waar

b)

niet waar

122.

Waar of niet waar?


De signaalwoorden "eerst", "dan" en "daarna" behoren tot het chronologisch verband.

a)

waar

b)

niet waar

123.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

iets aannemen als waarheid

(a)  

124.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

met opzet

(a)  

125.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

belangrijk

(a)  

126.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

goedmaken, een situatie rechttrekken door iets anders in de plaats te doen

(a)  

127.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

in het geheim

(a)  

128.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

ooit, vroeger, toen

(a)  

129.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

  • naspelen

    herstellen in oorspronkelijke staat



(a)  

130.

Vul de definite/verklaring aan met het juiste schooltaalwoord (deel 1):

  • niet iedereen is het daar over eens, iemand of iets waarover de meningen verdeeld zijn



(a)