WorksheetsNT2 2.1 Spreken over vroeger (het imperfectum)
Total questions: 10
Worksheet time: 3mins
Name
Class
Date
1.
Toen ik klein was, _ ik in een groot huis.
a)
woon
b)
woonden
c)
woonde
2.
We _ thuis veel dieren, een hond, een kat, een paard, geiten en kippen.
a)
hadden
b)
hebben
c)
had
3.
Ik _ elke dag huiswerk maken.
a)
moet
b)
moesten
c)
moest
4.
In de klas _ we niet babbelen.
a)
mogen
b)
mochten
c)
mocht
5.
Na de school _ ik graag buiten met de buurkinderen.
a)
speelde
b)
speel
c)
gespeeld
6.
In het weekend _ we altijd bij mijn grootouders op bezoek.
a)
gaan
b)
ging
c)
gingen
7.
Ik _ graag stripverhalen.
a)
lees
b)
las
c)
lazen
8.
Ik _ het liefst citroenlimonade.
a)
dronk
b)
dronken
c)
drink
9.
Voor mijn achtste verjaardag _ ik een nieuwe boekentas.
a)
krijg
b)
krijgen
c)
kreeg
10.
Ik _ heel veel van onze zwarte hond.
a)
houd
b)
hield
c)
hielden
100 %
