wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Industriële revolutie paragraaf 2

Total questions: 23

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Na welk jaar ontstonden in Engeland de eerste fabrieken?

a)

1750

b)

1760

c)

1770

d)

1780

2.

Voordat er fabrieken waren werkten de meeste mensen in....

a)

de handel

b)

winkels

c)

de landbouw

d)

de zorg

3.

In de winter als er weinig werk was op het land verdienden de mensen bij met

a)

handel

b)

spinnen en weven

c)

werken in een winkel

d)

hun waren te verkopen

4.

Wat zijn voorbeelden van huisnijverheid?

a)

wollen stoffen

b)

gehaakte kleedjes

c)

groente

d)

fruit

e)

weefwerk

5.

Rond het jaar (a)   begon de Engelse bevolking te groeien

6.

Welke stof, waar veel vraag naar was, droeg prettiger dan wol en was goedkoper?

(a)  

7.

Ruwe katoen kwam uit de Engelse koloniën .................. en .....................

(a)  

8.

Wat was het probleem met de eenvoudige weefgetouwen?

a)

Het ging niet snel genoeg

b)

Er kon niet genoeg stof gemaakt worden

c)

Ze waren te klein

d)

Ze werkte niet fijn

9.

Wat is waar over de nieuwe spin- en weefmachines?

a)

Ze zijn uitgevonden door Engelse uitvinders

b)

Ze waren veel sneller en groter

c)

Ze pasten in huiskamers

d)

Ze werden in fabrieken gezet

e)

Ze zorgden voor geld voor ondernemers

10.

Fabrieken stonden langs ................. Zo werden de machines in de fabrieken aangedreven door ..................... Later gingen fabrikanten over op ...........................

(a)  

11.

De grote verandering door de komst van fabrieken en machines noemen we

(a)  

12.

De industriële revolutie vond plaats tussen ................ en ..............

(a)  

13.

De industriële revolutie veranderde de hele samenleving. Langs ............................ en bij ............................. kwamen fabrieken met rokende .......................... Op die plaatsen groeiden dorpen uit tot .................................

(a)  

14.

Waar kwamen de werknemers van de fabrieken vandaan en waarom?

a)

Van andere landen, want daar waren mensen arm.

b)

Van de steenkolenmijnen, want dat was zwaar werk.

c)

Van het platteland, want daar was steeds minder werk.

15.

Werkeloze boeren gingen werken in:

a)

textielfabrieken

b)

mijnbouw

c)

fabrieken aardolie en aardgas

d)

fabrieken voor elektra

e)

fabrieken voor aardewerk en glas

16.

De belangrijkste uitvinding van de revolutie was de (a)  

17.

Wie verbeterde de stoommachine, die sinds 1700 was uitgevonden?

a)

James Watt

b)

Thomas Edison

c)

George Stephenson

d)

Josiah Wedgwood

18.

Waarvoor werden de stoommachines na de verbetering gebruikt?

a)

Voor het aandrijven van spin- en weefmachines en voor stoomlocomotieven.

b)

Voor het pompen van water uit de steenkolenmijnen.

c)

Voor het aandrijven van trekkers

19.

Engeland had veel ............... en .................. Dat was gunstig voor de groei van de industrie. Mijnbouw was gevaarlijk, maar ................. was nodig voor het verwarmen van de huizen en voor het laten werken van de ....................

(a)  

20.

Wat werd er in dit tijd van ijzer gemaakt?

a)

fabrieken

b)

bruggen

c)

spoorwegen

d)

machines

e)

pannen

21.

Wat zijn gevolgen van de industriële revolutie?

a)

Engeland veranderde van een landbouwsamenleving in een industriële samenleving

b)

Er werden spoorlijnen en kanalen aangelegd

c)

Huisnijverheid maakte plaats voor productie in fabrieken

d)

Landbouw en handwerk waren niet langer het belangrijkste middel van bestaan

e)

De mensen werden armer, omdat ze hun huisnijverheid niet meer konden verkopen

22.

De eerste stoomtrein in Engeland reed in het jaar (a)   En in Nederland in

23.

Het bezit van ................ was in de industriële revolutie belangrijker geworden dan het bezit van ...................... Ondernemers stopten geld in hun bedrijf om nog meer .............. te maken. Dat heet .....................

(a)