Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5STW toegepaste chemie H1+2+3

Total questions: 30

Worksheet time: 30mins

Name
Class
Date
1.

Waaruit bestaat inwendige energie?

a)

potentiële en thermische energie

b)

kinetische en potentiële energie

c)

thermische en elektrische energie

d)

elektrische en kinetische energie

2.

Wat is het symbool van enthalpie?

a)

E

b)

I

c)

H

d)

S

3.

Wat kan je zeggen over een exotherme reactie?

a)

de reactie-enthalpie is gelijk aan 0

b)

de reactie-enthalpie is groter dan 0

c)

de reactie-enthalpie is kleiner dan 0

4.

Welke bewering is correct?

a)

Bij een endotherme reactie komt er warmte vrij

b)

Bij een endotherme reactie wordt er warmte opgenomen

c)

Bij een endotherme reactie wordt er geen warmte opgenomen of afgegeven

5.

Welke bewering is correct?

a)

Het verbreken van bindingen is steeds een exotherme reactie

b)

Het verbreken van bindingen is steeds een mesotherme reactie

c)

Het verbreken van bindingen is steeds een endotherme reactie

d)

Het verbreken van bindingen is steeds een diplotherme reactie

6.

Welk gas is verantwoordelijk voor het opblazen van een airbag?

a)

stikstofgas

b)

waterstofgas

c)

zuurstofgas

d)

chloorgas

7.

Wat is het symbool van entropie?

a)

E

b)

H

c)

I

d)

S

8.

Wanneer worden de bindingen in moleculen verbroken of gevormd?

a)

bij elastische botsingen

b)

bij efficiënte botsingen

c)

bij effectieve botsingen

d)

bij eclectische botsingen

9.

Welke factor heeft GEEN effect op de reactiesnelheid?

a)

verdelingsgraad

b)

kleur

c)

temperatuur

d)

katalysator

10.

Welke bewering is correct?

a)

De activeringsenergie is gelijk met en zonder katalysator.

b)

De activeringsenergie is groter als je een katalysator gebruikt

c)

De activeringsenergie is groter als je geen katalysator gebruikt

11.

Wat zijn corrosie-inhibitoren?

a)

Zij versnellen het roesten van metalen

b)

Zij versnellen de elektrische stroomgeleiding van metalen

c)

Zij vertragen het roesten van metalen

d)

Zij vertragen de elektrische stroomgeleiding van metalen

12.

Wat is de eenheid van snelheid bij chemische reacties

a)

mol/s

b)

m/s

c)

mol/l

d)

mol/l.s

13.

Wanneer heb je GEEN schijnbaar aflopende reactie?

a)

bij neerslagreacties

b)

bij gasvormingsreacties

c)

bij zuur-base reacties

d)

bij gebruik van een overmaat aan reagentia

14.

Veronderstel: A + B + C ↔ D

In welke richting verschuift het evenwicht als je de concentratie verhoogt van product C?

a)

naar rechts

b)

naar links

c)

naar boven

d)

naar beneden

15.

Veronderstel: A + B + C ↔ 3D

In welke richting verschuift het evenwicht als je de druk verhoogt?

a)

naar rechts

b)

naar links

c)

er is geen verschuiving

16.

H2O is een voorbeeld van ...

a)

een Bronstedzuur

b)

een Bronstedbase

c)

een Bronstedzuur en een Bronstedbase

d)

noch een Bronstedzuur, noch een Bronstedbase

17.

NaOH is een voorbeeld van ...

a)

een Bronstedzuur

b)

een Bronstedbase

c)

een Arrheniuszuur

d)

een Arrheniusbase

18.

De formule van een proton is

a)

H+

b)

H

c)

H2O

d)

O2-

19.

Hoe noemt men een stof die zowel zuur als basisch kan reageren?

a)

amfolyt

b)

ambolyt

c)

amdrolyt

d)

amkolyt

20.

Wat is het geconjugeerde zuur van H2O?

a)

H3O

b)

H3O+

c)

H3O-

d)

OH-

21.

Wat is de naam van OH- ?

a)

oxonium

b)

oxonium-ion

c)

hydroxide

d)

hydroxide-ion

22.

Wat is de Kw (=waterconstante) bij 25°C?

a)

10

b)

10-1

c)

10-7

d)

10-14

23.

Wat kan je zeggen van een oplossing als de pH van de oplossing gelijk is aan 6,8.

a)

de oplossing is zuur

b)

de oplossing is neutraal

c)

de oplossing is basisch

24.

Wat is de eenheid van concentratie bij zuren en basen?

a)

mol of M

b)

mol/l of M

c)

l of M

d)

mol/l.s of M

25.

Hoe groot is de pH als pOH = 8?

a)

pH = 8

b)

pH = 2

c)

pH = 6

d)

pH = 10

26.

Wat is de formule voor het berekenen van [H3O+]?

a)

[H3O+] = 10-pH

b)

[H3O+] = 10-pOH

c)

[H3O+] = 10pH

d)

[H3O+] = 10pOH

27.

Hoe noemt men de stoffen die je kan gebruiken om zuren en basen te identificeren?

a)

indicators

b)

percolators

c)

inhibitors

d)

vibrators

28.

Wat gebeurt er met de pH als je zuur toevoegt aan een buffermengsel

a)

De pH stijgt

b)

De pH daalt

c)

De pH blijft lange tijd stabiel en stijgt dan

d)

De pH blijft lange tijd stabiel en daalt dan

29.

Wat bekom je als je een zuur-oplossing en een base-oplossing samenvoegt?

a)

een zout en water

b)

alleen een zout

c)

alleen water

30.

Hoe noemt men de grafiek waarbij de pH-verandering wordt weergegeven als een zuur en een base worden samengevoegd?

a)

modulatiecurve

b)

titratiecurve

c)

zuurcurve

d)

basecurve