wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3.1 Verlichting & Standenmaatschappij

Total questions: 24

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.
Het Ancien Regime slaat op
a)
het Franse parlement
b)
het Franse koningshuis
c)
het Romeinse Rijk
d)
de Oude Regering
2.

Wat is zijn opvattingen uit de Verlichting? 3 antwoorden zijn goed.

a)

Scheiding tussen kerk en staat

b)

Opkomst van de democratie

c)

Focus op onderwijs en ethiek

d)

Belang van nationaal verleden

3.

Wat stond centraal in de Verlichting? 2 antwoorden goed.

a)

Bijgeloof

b)

Eigen geluk maken

c)

Kritisch denken

d)

Streng geloof in God en de kerk

4.

Wat is de juiste omschrijving van het begrip Verlichting?

a)

Denkstroming in de 18e eeuw die het gebruiken van het eigen verstand centraal stelde. Hierdoor kon een betere samenleving worden gemaakt.

b)

Denkstroming waarbij mensen op een bepaalde manier gingen denken dat ze zich erg verlicht voelden.

c)

Een nieuwe uitvinding in de 18e eeuw waarbij mensen niet meer kaarsen als verlichting hoefden te gebruiken, maar nu lampen konden gebruiken.

5.

Welke omschrijving van het absolutisme is juist?

a)

Manier van regeren waarbij de president alle macht van God heeft gekregen en daardoor het alleenrecht heeft

b)

Manier van regeren waarbij de ministers niets tegen de vorst kunnen inbrengen, omdat zo moet van de kerk

c)

Manier van regeren waarbij de vorst alle macht in handen heeft omdat God hem al die macht gegeven zou hebben

d)

Manier van regeren waarbij het parlement alle macht heeft en de koning niets te zeggen heeft

6.

Welk idee past bij de verlichting?

a)

Macht moet niet gegeven worden aan één persoon/groep

b)

Iedereen mag stemmen

c)

Slaven moeten beter worden behandeld

d)

De paus heeft altijd gelijk

7.

Wat is de Trias Politica?

a)

De scheiding der machten. De macht wordt verdeeld onder de koning, de regering en de bevolking.

b)

De scheiding der machten, staat voor de wetgevende macht, uitvoerende macht en rechtgevende macht.

c)

Voorloper van de constitutionele monarchie.

d)

De politiek van een land verdeeld onder de hoogste macht, wetgevende macht en rechtelijke macht

8.

Wat is de juiste volgorde van de standen in de standenmaatschappij in Frankrijk in de 18e eeuw?

a)

1e stand adel, 2e stand geestelijkheid, 3e stand de burgers

b)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand boeren

c)

1e stand de burgers, 2e stand adel, 3e stand geestelijkheid

d)

1e stand geestelijkheid, 2e stand adel, 3e stand de boeren en burgers

9.

Welke privileges hadden de 1e en 2e stand?

a)

Zij konden meebeslissen met de koning en dat mocht de 3e stand niet

b)

Zij hoefden niet mee te regeren in het bestuur

c)

Zij hoefden geen belasting te betalen

10.

Wat wordt er bedoeld met ratio?

a)

Een nieuwe uitvinding uit de 18e eeuw

b)

De rede (gezond) verstand

c)

Dat is een ander woord voor Renaissance

d)

Dat mensen niet voor zichzelf dachten

11.

Welk kenmerken passen bij de Verlichting? 3 antwoorden goed.

a)

Geleerden gaan er vanuit dat mensen kunnen groeien en kunnen leren.

b)

Geleerden vinden dat kerkleiders de mensen dom en onwetend houden.

c)

Mensen volgen de adviezen op van anderen en denken niet voor zichzelf.

d)

Er werden vragen gesteld over de manier waarop de samenleving werd bestuurd.

12.

Montesquieu was de bedenker van de...

a)

Natuurwetten

b)

Staten-Generaal

c)

Trias politica

d)

Verlichting

13.

Het bidden voor de zielenheil van alle standen, hoort bij welke stand?

a)

De eerste stand

b)

De tweede stand

c)

De derde stand

14.

De koning behoorde tot welke stand?

a)

De eerste stand

b)

De tweede stand

c)

De derde stand

d)

Geen enkele stand

e)

Alle standen

15.

Een herendienst is:

a)

Dingen die de heer voor zijn volk doet

b)

Dingen die God doet om het volk tevreden te houden

c)

Dingen die boeren voor hun landheer moeten doen

d)

Dingen die de geestelijkheid voor God moet doen

16.

Een privilege is:

a)

Je eigen gegevens voor jezelf houden

b)

Dingen mogen die anderen niet mogen

c)

Dingen doen die anderen niet doen

d)

Dingen die je van God mag, zonder dat de koning dat wil

17.

Welke stand zorgde voor het voedsel voor alle standen?

a)

De tweede stand

b)

De derde stand

c)

De eerste stand

d)

Geen van de standen

18.

Wie behoorde er niet tot de derde stand?

a)

Advocaten

b)

Schrijvers

c)

Wetenschappers

d)

Monniken

19.

Waarom waren de meeste boeren arm?

a)

Zij moesten veel belasting betalen

b)

Zij kregen niet genoeg salaris

c)

De oogst mislukte regelmatig

d)

Zij hadden nauwelijks rechten

20.

Welke uitspraak is van een absolute koning?

a)

Ik regeer alleen en hoef niemand te gehoorzamen

b)

Ik regeer samen met mijn ministers en overleg met ze

c)

Ik luister naar wat het volk wil

d)

Mijn ministers regeren voor mij en ik moet ze gehoorzamen

21.

Waarom leefde de Franse boeren in armoede?

a)

Zij moesten veel belasting betalen en pacht voor de landbouwgrond

b)

De prijs van brood was te hoog

c)

Zij betaalden veel belasting en hadden geen huis

d)

Zij hadden nauwelijks landbouwgrond om van te kunnen leven

22.

Wie hoefden geen belasting te betalen?

a)

burgers en adel

b)

geestelijken en burgers

c)

adel en geestelijken

d)

geestelijken en burgers

23.

Wat deed Lodewijk XIV om zijn macht te consolideren? 3 antwoorden goed.

a)

Hij verbeterde de economie waardoor er meer belastinggeld binnenkwam. Hiermee kon hij zijn leger en ambtenaren betalen.

b)

Hij was door God uitgekozen.

c)

De adel had hij verplicht in zijn paleis te komen wonen waardoor hij controle over hen had.

d)

Hij had speciale spionnen in dienst die mogelijke vijanden oppakte en vermoorden.

24.

Hoe is het de koningen gelukt om meer macht naar zich toe te trekken in de late middeleeuwen? 3 antwoorden goed.

a)

Door de macht van de adel te verkleinen.

b)

Doordat er meer handel was konden ze meer belasting heffen.

c)

Konden ambtenaren en soldaten in dienst nemen.

d)

Hadden betere gevechtstactieken waardoor ze makkelijker vijanden konden verslaan en meer macht naar zicht toe konden trekken.