wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

VWO - Hoofdstuk 17 - Inflatie 1

Total questions: 10

Worksheet time: 16mins

Name
Class
Date
1.

Een andere term voor het inflatiecijfer is ook wel:

a)

NCI

b)

RIC

c)

PCI

d)

CPI

2.

Hieronder vind je een aantal mogelijke omschrijvingen van geldillusie. Geef aan welke juist is/zijn.


Geldillusie doet zich voor als:

a)

De reële waarde van het inkomen belangrijker wordt gevonden dan de nominale waarde.

b)

De verandering van het prijspeil geen rol speelt bij de beoordeling van inkomensveranderingen

c)

Uitsluitend wordt gekeken naar de ontwikkeling van het nominale inkomen.

d)

Men denkt dat het reëel loon sneller stijgt dan de inflatie.

3.

In 2020 bedraagt het CPI 108,17 (2015 = 100). Voor 2021 wordt een CPI verwacht van 110,30. De inflatie in de periode 2020-2021 bedraagt dan

a)

-1,93%

b)

1,97%

c)

2,13%

4.

Bestedingscategorieën waar een groot deel van het besteedbaar inkomen aan uit wordt gegeven krijgt een relatief ...... wegingsfactor. Een prijswijziging in deze categorie heeft een relatief ..... gevolg voor het CPI.


Wat moet er op de plek van de puntjes komen te staan?

a)

1 = lage, 2 = klein

b)

1 = lage, 2 = groot

c)

1 = hoge, 2 = klein

d)

1 = hoge, 2 = groot

5.

REKENEN


Ga uit van een stijging van het CPI van 3,25%. Dat is het gevolg van het volledig doorrekenen van de gestegen loonkosten per product in de verkoopprijzen. Verder is bekend dat de lonen in deze periode zijn gestegen met 6,89%.


Welke uitspraak is juist?

a)

In deze periode is de arbeidsproductiviteit gestegen met 3,53%

b)

In deze periode is de arbeidsproductiviteit gestegen met 3,64%

c)

In deze periode is de arbeidsproductiviteit gelijk gebleven

d)

Geen van bovenstaande antwoorden is juist.

6.

REKENEN


Bereken de inflatie voor 2018 t.o.v. 2015. Rond af op 2 decimalen.


!LET OP: GEBRUIK EEN KOMMA IPV EEN PUNT IN JE ANTWOORD!

(a)  

7.

Welk van onderstaande uitspraken is juist?


1 = Door inflatie daalt de reële waarde van een schuld.

2 = Deflatie stimuleert aankopen omdat de prijzen dan dalen.

a)

1 = juist, 2 = onjuist

b)

1 = onjuist, 2 = juist

c)

Beiden zijn juist

d)

Beiden zijn onjuist

8.

Bekijk de afbeelding en geef aan welke uitspraken juist is/zijn.


1= op korte termijn (fase A-B) ontstaat geen inflatie doordat er o.a. sprake is van loonstarheid.


2 = Een toename van de vraag in het geval van een bezettingsgraad van 100% leidt enkel tot prijsstijgingen.

a)

1 = juist, 2 = onjuist

b)

1 = onjuist, 2 = juist

c)

Beiden zijn juist

d)

Beiden zijn onjuist

9.

Een econoom doet de volgende uitspraak "Als de lonen sneller stijgen dan de arbeidsproductiviteit, is er (ceteris paribus) sprake van kosteninflatie."


Welk(e) element(en) in zijn antwoord ontbreekt/ontbreken?

a)

Dat de loonkosten per product zouden stijgen

b)

Dat de bestedingen op peil blijven

c)

Dat de kosten moeten worden doorberekend in de prijzen

d)

Dat de gevoelsinflatie in die periode waarschijnlijk lager is dan de trend

10.

Welk woorden moeten er op de plek van de puntjes komen te staan?


Indien de productie zich in punt C bevindt dan is de productiecapaciteit volledig benut. De reële productie zou dan 500 bedragen. Door ...1... -investeringen te doen stijgt de gemiddelde arbeidsproductiviteit waardoor productiecapaciteit toeneemt en bij gelijkblijvende vraag de ...2... daalt.

a)

1 = Vervangings, 2 = winst per product

b)

1 = Breedte, 2 = productie

c)

1 = Diepte, 2 = bezettingsgraad

d)

1 = Uitbreidings, 2 = inflatie