WorksheetsDe O.T.T.
Total questions: 25
Worksheet time: 23mins
De man ...................... (lopen) over de straat.
[L´homme traverse la rue]
lop
loop
lopt
loopt
Hij ........................... (drinken) een glas witte wijn.
[Il boit un verre de vin blanc]
drink
drinkt
drinkkt
drinken
Jullie ........................... (komen) nooit op tijd.
[Vous ne venez jamais à l´heure]
kom
koom
komen
komt
Marie ........................ (schrijven) een brief aan haar moeder.
[Marie écrit une lettre à sa mère]
schrijv
schrijf
schrijvt
schrijft
Het kind .......................... (eten) graag ijs.
[L´enfant aime manger de la glace]
eten
ete
eet
ette
De kinderen (a) (zwemmen) in de zee.
[Les enfants nagent dans la mer]
Ik (a) (fietsen) graag.
[J´aime faire du vélo]
(a) (wonen) je al lang in Luik?
[Habites-tu depuis longtemps à Liège]
Jullie (a) (praten) over een interessant thema.
[Vous parlez d´un sujet intéressant]
Tom (a) (kopen) een nieuwe auto.
[Tom achète une nouvelle voiture]
De les (a) (duren) één uur.
[Le cours dure une heure]
Eric (a) (lezen) een spannend boek.
[Eric lit un livre captivant]
Ik (a) (proberen) de oefeningen te doen.
[J´essaie de faire les exercices]
De kinderen (a) (spelen) in de tuin.
[Les enfants jouent dans le jardin]
Tom (a) (studeren) wiskunde.
[Tom fait des études de maths]
Hij (a) (zijn) ziek.
[Il est malade]
Ik (a) (bouwen) een huis.
[Je construis une maison]
Marie (a) (bestellen) schoenen op Zalando.
[Marie commande des chaussures sur Zalando]
Jullie (a) (komen) altijd te laat.
[Vous êtes toujours en retard]
De auto (a) (rijden) te snel.
[La voiture roule trop vite]
Je (a) (reizen) volgend jaar naar Afrika.
[Tu voyages l'année prochaine en Afrique]
(a) (werken) je morgen?
[Tu travailles demain ?]
Ik (a) (doen) mijn huiswerk in mijn kamer.
[Je fais mes devoirs dans ma chambre]
De auto (a) (stoppen) bij rood.
[La voiture s'arrête au rouge]
Wij (a) (vieren) Kerstmis in New York.
[Nous célébrons Noël à New York]
