wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Woordenschat 1vwo NN H1 t/m 3

Total questions: 20

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

Wat kun je doen als je een moeilijk woord in een tekst ziet?

a)

Kijken of er een woord in de tekst staat dat hetzelfde betekent.

b)

Kijken of er een omschrijving in de tekst staat.

c)

Kijken of er een voorbeeld wordt gegeven.

d)

Dit zijn allemaal goede woordraadstrategieën.

2.

Hoe zie je dat er een voorbeeld gegeven wordt in de tekst?

a)

Er staat een dubbele punt of een signaalwoord (bijv., zoals).

b)

Het woord zelf wordt omschreven.

c)

Er staat een synoniem van het moeilijke woord in de tekst.

d)

Er staat een plaatje bij de tekst.

3.

Wat is een homoniem?

a)

Een ander woord met dezelfde betekenis.

b)

Een woord met twee of meer betekenissen.

c)

Een woord met slechts 1 betekenis.

d)

Een woord dat hetzelfde klinkt maar anders geschreven wordt (hart - hard).

4.

Welk woord past in de zin? Een bruiloft is een romantische .......... .

a)

opkomst

b)

verstandhouding

c)

ceremonie

d)

saamhorigheid

5.

Welk woord past in de zin? De docent ............. dat de leerlingen goed geleerd hebben.

a)

volstaat

b)

onderscheidt

c)

garandeert

d)

constateert

6.

Hiërarchie betekent:

a)

tussenkomst

b)

hoogtepunt

c)

rangorde

d)

wisselwerking

7.

Welk woord past in de zin? Het tegenovergestelde van de virtuele wereld is de ........... wereld.

a)

reële

b)

intieme

c)

permanente

d)

spectaculaire

8.

huis en (a)   verlaten

9.

met horten en (a)  

10.

zonder slag of (a)  

11.

Welk woord past in de zin? Om iemand te overtuigen van je gelijk, moet je je oordeel goed

a)

betwisten

b)

beargumenteren

c)

benaderen

d)

aan de kaak stellen

12.

Welk woord past in de zin? Ben jij soms .................. als iemand mooie spullen heeft?

a)

aangeslagen

b)

aanhankelijk

c)

afgunstig

d)

kritisch

13.

Welke uitdrukking betekent iets wantrouwend bekijken?

a)

Iets met argusogen bekijken

b)

Iets aan de kaak stellen

c)

Iemand om de tuin leiden

d)

Met een opgeheven vingertje bekijken

14.

Welk woord past in de zin? Het kon hem niets schelen, hij reageerde altijd ............ als zijn team verloor.

a)

dramatisch

b)

subtiel

c)

afgunstig

d)

onverschillig

15.

Zij versiert het huis uitbundig, want zij houdt van pracht en (a)  

16.

Letterlijk of figuurlijk? Hij is een rechtse bal.

a)

Letterlijk

b)

Figuurlijk

17.

Welk woord past in de zin? Een boterbriefje halen betekent dat je je verbindt in de ...........

a)

realiteit

b)

echt

c)

symboliek

d)

climax

18.

Hij slaat zijn zusje elke dag bont en (a)  

19.

Welk woord past in de zin? Volgens de regering zouden veel mensen de coronaregels .................

a)

beargumenteren

b)

om de tuin leiden

c)

veronachtzamen

d)

onderscheiden

20.

Ik ben goed voorbereid op de toets!

a)

Tuurlijk!

b)

Bijna!

c)

Ik moet nog hard studeren!

d)

Nee en dat gaat ook niet lukken!