Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Massamedia: hoofdstuk 1 t/m 3.

Total questions: 20

Worksheet time: 37mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste term?


'Als ontvanger kan je via het mediagebruik ontspannen.'

a)

Informatieve functie

b)

-

c)

Socialiserende functie

d)

Amusementsfunctie

2.

Wat is de juiste term?


'De zender houdt de ontvangers op de hoogte van wat er gebeurt in de wereld.'

a)

Informatieve functie

b)

-

c)

Socialiserende functie

d)

Amusementsfunctie

3.

Wat is de juiste term?


'De zender brengt de ontvangers waarden, normen en andere cultuurkenmerken bij.'

a)

Informatieve functie

b)

-

c)

Socialiserende functie

d)

Amusementsfunctie

4.

Welke functie van massamedia is dit?

a)

Informatieve functie

b)

-

c)

Socialiserende functie

d)

Amusementsfunctie

5.

Welke functie van massamedia is dit?

a)

Informatieve functie

b)

-

c)

Socialiserende functie

d)

Amusementsfunctie

6.

Welke functie van massamedia is dit?

a)

Informatieve functie

b)

Persuasieve functie

c)

-

d)

Amusementsfunctie

7.

Wat is communicatie?

a)

Communicatie is het overbrengen van informatie van een ontvanger naar zender

b)

Communicatie is het overbrengen van informatie van een zender naar een ontvanger.

c)

Communicatie is het overbrengen van informatie van een lezer naar schrijver.

8.
Wat is GEEN communicatie?
a)
Een dagboek bijhouden voor jezelf
b)
Een kruisje dragen
c)
Een documentaire kijken over Zwarte Piet
d)
Een appje sturen naar je moeder
9.

Wat is een voorbeeld voor tweezijdige communicatie?

a)

Een e-mail.

b)

Telefoongesprek.

c)

Een boek.

d)

Toespraak door de koning.

10.

Wat is een belangrijk kenmerk van massacommunicatie?

a)

Het gaat om meerzijdige communicatie.

b)

De informatie is voor iedereen bedoeld.

c)

Een medium (middel) is noodzakelijk.

d)

Het gaat om verbale communicatie.

11.

Appen is een voorbeeld van:

a)

eenzijdige, non-verbale communicatie.

b)

tweezijdige, non-verbale massacommunicatie.

c)

eenzijdige, verbale communicatie.

d)

tweezijdige, verbale communicatie.

12.

Wat is een belangrijk kenmerk van massacommunicatie?

a)

Het gaat om meerzijdige communicatie.

b)

De informatie is voor iedereen bedoeld.

c)

Een (medium) middel is niet noodzakelijk.

d)

Het gaat om verbale communicatie.

13.

Het mobieltje waarmee je een appje kan sturen is het...

a)

Middel

b)

Informatie

14.

Bij social media ben je ...

a)

alleen zender

b)

Zender en ontvanger

15.
Pluriformiteit in de media betekent..
a)
Dat een zender zelf mag kiezen wat hij wil uitzenden.
b)
Dat door de Mediawet er programma's moeten worden uitgezonden voor alle doelgroepen.
c)
Dat een kijker zelf de keuze heeft om te kiezen wat hij wil zien.
d)
Dat er reclames worden uitgezonden voor alle doelgroepen.
16.
Welke kranten richten zich meer op sensationeel nieuws?
a)
Trouw
b)
NRC
c)
Volkskrant
d)
Telegraaf
17.

Waar is het nieuws?


Enorme schade en 9 doden Bahama's, orkaan Dorian trekt naar Florida.

a)

Nieuws in een stad of streek

b)

Nieuws in Nederland

c)

Nieuws in de hele wereld

18.
Opinietijdschriften behandelen dezelfde onderwerpen als kranten.
a)
Waar
b)
Niet waar
19.

Wat is een passend voorbeeld bij de opiniërende functie?

a)

Strategische en algemene programma's zoals slimste mens

b)

Een soap serie

c)

Een praat programma zoals jinek of Op1

20.

Media is belangrijk voor de samenleving als geheel, waar hebben de massamedia een belangrijke rol bij?

a)

Democratische besluitvorming, educatieve zenders en leuke zenders aanbieden

b)

Democratische besluitvorming, cultuuroverdracht en vrijetijdsbesteding

c)

goed informeren en in de gaten houden of er dingen op de media staan die de overheid niet wilt