Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhalingsquiz 5PHW

Total questions: 17

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Waarover gaat het hier: Een tiener krijgt een diepere stem tijdens de puberteit.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

2.

Waarover gaat het hier: Mijn oma is aan het dementeren.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

3.

Waarover gaat het hier: Thomas heeft ADD. Zijn therapeut helpt hem om zijn aandacht beter bij de leerstof te kunnen houden.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

4.

Waarover gaat het hier: Een kind leert fietsen zonder zijwielen.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

5.

Waarover gaat het hier: Een volwassene ontwikkelt nieuwe vaardigheden op het werk.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

6.

Waarover gaat het hier: Tim heeft nieuwe schoenen nodig, hij is op een maand tijd uit zijn sneakers gegroeid.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

7.

Waarover gaat het hier: Een kind leert zwemmen met een instructeur.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

8.

Waarover gaat het hier: Een jongvolwassene begint met het ontwikkelen van zijn eigen identiteit.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

9.

Waarover gaat het hier: Een student bereidt zich voor op zijn eindexamen.

a)

Groeien

b)

Rijpen

c)

Leren

10.

Over welke vorm van ontwikkeling gaat het hier: Een kind leert praten en nieuwe woorden begrijpen.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Sociaal-emotionele

11.

Een baby leert grijpen en voorwerpen vast te houden met zijn handen.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

12.

Een kind leert zijn emoties te uiten en omgaan met anderen in een groep

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

13.

Een puber begint complexere wiskundige problemen op te lossen op school.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

14.

Een kind leert fietsen zonder zijwieltjes, verbetert zijn evenwicht en coördinatie

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

15.

Een jong kind begint het concept van tijd te begrijpen, zoals het verschil tussen ‘gisteren’, ‘vandaag’ en ‘morgen’.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

16.

Een kind leert dat anderen verschillende perspectieven kunnen hebben en begint rekening te houden met de gevoelens en gedachten van anderen.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele

17.

Een peuter leert zijn motorische vaardigheden te verbeteren door te rennen en te springen.

a)

Fysieke

b)

Cognitieve

c)

Socio-emotionele