wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Brugklas herhaling H1 t/m H4

Total questions: 40

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de juiste verdeling in zinsdelen van de onderstaande zin?


Vorig jaar heb ik voor mijn vrienden een feest georganiseerd.

a)

Vorig jaar/heb/ik/voor mijn vrienden/ een feest/ georganiseerd

b)

Vorig/jaar/heb/ik/voor/mijn/vrienden/een/feest/georganiseerd

c)

Vorig jaar/heb/ik/voor/mijn vrienden/een feest/ georganiseerd

d)

Vorig jaar heb / ik een feest/ voor mijn vrienden/georganiseerd

2.

Is het 'onderwerp' een van de zinsdelen?

a)

ja

b)

nee

3.

Welk van de onderstaande lidwoorden is onbepaald?

a)

de

b)

het

c)

een

4.

Welk van de onderstaande woorden is een zelfstandig naamwoord?

a)

Ik

b)

Jari

c)

Lopen

d)

De

5.

Welk woord schrijf je NIET met een hoofdletter?

a)

Mei

b)

Piet

c)

Melanchthon

d)

Philips

6.

Wat is de goede spelling?

a)

De Groningse jongen

b)

De groningse jongen

7.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord in onderstaande zin?


.... (geloven) hij dat jij dokter wilt worden?

a)

Gelooft

b)

Geloofd

c)

Geloofdt

8.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord?


Ik ... (vermoeden) dat jij de slimste bent.

a)

Vermoed

b)

Vermoet

c)

Vermoedt

9.

Wat is het onderwerp in onderstaande zin?


Waarom houdt niemand zich aan de coronaregels?

a)

Waarom

b)

Niemand

c)

De coronaregels

10.

Welk van de onderstaande woorden is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?

a)

Mooie

b)

Gouden

c)

Vergrote

d)

Gekruiste

11.

Wat is de goede spelling van het werkwoord in de VERLEDEN tijd?


De bruidsjurk ... (slepen) over de grond.

a)

Sleepte

b)

Sleepde

c)

Sliep

d)

Sleepten

12.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord in de VERLEDEN tijd?


Met één klik ... (vergroten) meneer Esbeukman de foto.

a)

Vergrootte

b)

Vergrote

c)

Vergrootten

d)

Vergroot

13.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord in de TEGENWOORDIGE tijd?


... (worden) jij weleens boos?

a)

Word

b)

Wordt

c)

Wort

14.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord in de TEGENWOORDIGE tijd?


...(worden) hij weleens boos?

a)

Wordt

b)

Word

c)

Wort

15.

Wat is de juiste spelling van het werkwoord in de TEGENWOORDIGE tijd?


Ik ...(worden) vaak boos.

a)

Wordt

b)

Word

c)

Wort

16.

Waar moet de komma in onderstaande zin?


Als ik win mag ik een ijsje.

a)

Na 'ik'

b)

Na 'win'

c)

Na 'mag'

17.

Waar of niet waar?


Na een verbindingswoord komt een komma

a)

Waar

b)

Niet waar

18.

Wat is het werkwoordelijk gezegde in onderstaande zin?


Mijn ouders zijn vaak aan het roddelen over mijn docenten.

a)

Zijn

b)

Zijn aan het roddelen

c)

aan het roddelen

d)

Roddelen

19.

Wat is het lijdend voorwerp in onderstaande zin?


Gisteren kochten de kinderen een kraslot om aan hun ouders te geven.

a)

De kinderen

b)

Een kraslot

c)

Hun ouders

d)

Om te geven

20.

Vink de aanwijzend voornaamwoorden uit de onderstaande zin aan.


Deze boeken vind ik leuker dan zulke kinderachtige. Wat vind jij?

a)

Deze

b)

Ik

c)

Dan

d)

Zulke

e)

Wat

21.

Vink de vragend voornaamwoorden uit onderstaande zin aan.


Wie van jullie heeft die vraag op de toets goed beantwoord?

a)

Wie

b)

Jullie

c)

Die

d)

De

22.

Wat is het hulpwerkwoord/zijn de hulpwerkwoorden in onderstaande zin?


Wij hebben gisteren goed kunnen genieten van de zon.

a)

Hebben

b)

Kunnen

c)

Genieten

23.

Wat is het zelfstandig werkwoord in onderstaande zin?


Hebben jullie kunnen kiezen?

a)

Hebben

b)

Kunnen

c)

Kiezen

24.

Wat is de juiste spelling?

a)

Bacterien

b)

Bacteriën

c)

Bacterieën

d)

Bacteries

25.

Wat is de juiste spelling?

a)

Hobby's

b)

Hobbies

c)

Hobbys

26.

Wat is de juiste spelling?

a)

Lomperiken

b)

Lompperikken

c)

Lomperikken

d)

Lomperrikken

27.

Wat is de juiste spelling?

a)

Cafees

b)

Cafés

c)

cafeën

d)

café's

28.

Wat is de juiste spelling?


Gisteren ... (hockeyen) de meiden tijdens de les

a)

hockeyden

b)

hockyde

c)

hockeyde

d)

Hockyden

29.

Wat is de juiste spelling?


Geduldig ... (wachten) de mannen gisteren op hun pizza.

a)

Wachtte

b)

Wachtten

c)

Wachten

d)

Wachtend

30.

Welke vier woorden zijn vragende voornaamwoorden?

a)

Wat

b)

Waarom

c)

Wie

d)

Welke

e)

Wat voor (een)

31.

Waar zijn de zinsdeelstrepen goed gezet?


De stoere jongens hebben gisteren meerdere winkels geplunderd.

a)

De stoere jongens/hebben/gisteren/meerdere winkels/geplunder

b)

De/stoere jongens/hebben/gisteren/meerdere/winkels/geplunderd

c)

De stoere jongens/hebben gisteren/meerdere winkels/geplunderd

d)

De stoere jongens hebben/gisteren/meerdere winkels geplunderd

32.

Wat is het koppelwerkwoord in onderstaande zin?


Ik blijk een knappe kerel geworden te zijn

a)

Blijk

b)

Geworden

c)

zijn

33.

Heeft onderstaande zin een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?


De zon schijnt

a)

werkwoordelijk

b)

naamwoordelijk

34.

Heeft onderstaande zin een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?


Peter schijnt een aardige man te zijn

a)

Werkwoordelijk

b)

Naamwoordelijk

35.

Wat is het naamwoordelijk gezegde in onderstaande zin?


De boeken van Carry Slee zijn erg populair

a)

ZIjn

b)

Zijn (erg populair)

c)

De boeken zijn

d)

zijn (populair)

36.

Wat is het hulpwerkwoord in onderstaande zin?


Heeft hij limonade gedronken?

a)

Heeft

b)

Gedronken

37.

... (huilen) liep hij door de straten.

a)

Huilend

b)

Gehuild

c)

Huilde

d)

Huilent

38.

Een naamwoordelijk gezegde heeft ALTIJD een koppelwerkwoord

a)

Waar

b)

Niet waar

39.

'Voorkomen' kan een koppelwerkwoord zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

40.

De man heeft gisteren om hulp ... (vragen)

a)

Gevraagt

b)

Vroeg

c)

Gevraagd

d)

Vraagde