wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Straling-1

Total questions: 15

Worksheet time: 22mins

Name
Class
Date
1.

Als je in de zon loopt dan wordt je bruin door:

a)

Infrarood-straling

b)

Radiostraling

c)

Ultraviolet-straling

d)

Röntgenstraling

2.

De eenheid van stralingsdosis is:

a)

Becquerel

b)

Siemens

c)

Sievert

d)

Gray

3.

Een stralings-badge wordt gebruikt om:

a)

Te meten hoeveel straling iemand op één moment ontvangt

b)

Te meten hoeveel straling iemand in totaal heeft ontvangen

c)

Te meten hoelang iemand straling heeft ontvangen

d)

Te meten wanneer iemand staling heeft ontvangen

4.

Wat is het verschil tussen de straling uit een magnetron en de straling van een röntgenapparaat?

a)

Magnetron straling heeft meer energie dan röntgenstraling

b)

Magnetron straling heeft minder energie dan röntgenstraling

c)

Magnetron straling heeft evenveel energie als röntgenstraling

d)

Magnetron straling is gevaarlijker dan röntgenstraling

5.

De stralingsbelasting in Nederland is gemiddeld 2,5 mSv per jaar. Hoe noemen we de straling die dit veroorzaakt?

a)

Radiostraling

b)

Elektromagnetische straling

c)

Achtergrondstraling

d)

IR-straling

6.

De stralingsbelasting is 2,5 mili-Sievert per jaar.

Reken dit om naar micro-Sievert per uur

a)

160 micro-Sievert per uur

b)

0,160 micro-Sievert per uur

c)

0,285 micro-Sievert per uur

d)

285 micro-Sievert per uur

7.

Bij radiotherapie kan er geen röntgenstraling gebruikt worden, dit komt omdat:

a)

De energie van de straling is te groot om de kankercellen te vernietigen

b)

De energie van de straling is te klein en daardoor kan de straling niet diep genoeg het lichaam in.

c)

Röntgenstraling beschadigd ook gezond weefsel.

d)

De energie van de straling is te klein om de kankercellen te vernietigen

8.

Je bent besmet wanneer, vink de juiste mogelijkheden aan (er zijn meer antwoorden mogelijk)

a)

Je bij een stralingsbron hebt gestaan

b)

Je een radioactieve stof op je lichaam krijgt

c)

Je een CT-scan hebt gehad

d)

Je een radioactieve stof hebt ingeslikt / ingeademd

e)

Je bestraald bent door een radioloog

9.

Kies de juiste volgorde van afnemende stralingsenergie

a)

radiogolven, microgolven, IR-straling, zichtbaar licht, UV-straling, röntgenstraling, Gammastraling

b)

IR-straling, microgolven, zichtbaar licht, radiogolven, Gammastraling, röntgenstraling

c)

Gammastraling, Röntgenstraling, IR-straling, Zichtbaar licht, UV-straling, microgolven, radiogolven

d)

Gammastraling, Röntgenstraling, UV-straling, Zichtbaar licht, IR-straling, microgolven, radiogolven

10.

Op aarde ontvang je aan straling 0,03 micro-Sievert per uur. Tijdens een vliegreis ontvang je 4 micro-Sievert per uur.

Hoeveel keer meer straling ontvang je tijdens een vlucht van 3,5 uur?

a)

14 keer zoveel

b)

26 keer zoveel

c)

133 keer zoveel

d)

467 keer zoveel

11.

Een radioactief preparaat heeft een activiteit van 10.000 Bq.

De halfwaardetijd van dit preparaat is 5 uur. Na hoeveel uur is de activiteit 625 Bq?

a)

na 5 uur

b)

na 10 uur

c)

na 15 uur

d)

na 20 uur

12.

Nucleonen zijn: (vink de juiste deeltjes hieronder aan)

a)

elektronen

b)

neutronen

c)

protonen

d)

moleculen

13.

Op welke manieren kan een kern vervallen?

(meerdere antwoorden zijn mogelijk)

a)

Uitzenden van Röntgenstraling

b)

Uitzenden van alfa-straling

c)

Uitzenden van beta-straling

d)

Uitzenden van gammastraling

14.

Wat is een isotoop?

a)

Varianten van een atoom met verschillende aantal elektronen maar een gelijk aantal protonen.

b)

Varianten van een atoom met verschillende aantal protonen maar een gelijk aantal neutronen

c)

Varianten van een atoom met verschillende aantal neutronen maar een gelijk aantal protonen.

d)

Varianten van een atoom met verschillende aantal neutronen maar een gelijk aantal elektronen.

15.

Mascha heeft meetgegevens van een radioactieve isotoop in een grafiek gezet. Wat is de halfwaardetijd van dit isotoop?

a)

Dat kun je niet berekenen want de grafiek begint niet bij 0

b)

De halfwaardetijd is 3,5 jaar

c)

De halfwaardetijd is 5 jaar

d)

De halfwaardetijd is 10 jaar