wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lj3 BK ademhaling en verbranding

Total questions: 48

Worksheet time: 36mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de indicator voor CO2

a)

kalkwater

b)

jodium

c)

helder kalkwater

d)

glucose

2.

Uitgeademde lucht bevat meer waterdamp dan ingeademde lucht

a)

waar

b)

niet waar

3.

In de bronchiën vindt gaswisseling plaats

a)

waar

b)

niet waar

4.

De huig sluit de neusholte af.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Wat is de stand van de huig en strottenklep bij inademen?

a)

open, open

b)

dicht,open

c)

open, dicht

d)

beide dicht

6.

Bij inademen gaan de ribben en het middenrif omhoog

a)

waar

b)

niet waar

7.

Wat is de oorzaak van copd?

a)

werken met gras

b)

astma

c)

huisstofmijt

d)

roken

8.

Roken is schadelijk. Welke stof neemt de plaats in van zuurstof?

a)

koolstofdioxide

b)

nicotine

c)

koolstofmonoxide

d)

teer

9.

Het percentage stikstof wat je in en uitademt is gelijk.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Gaswisseling kan snel plaats vinden in de longblaasjes omdat?

a)

Ze een heel groot oppervlakte samen hebben en een dikke wand hebben

b)

Ze een hele dikke wand hebben waardoor water en opgeloste voedingsstoffen makkelijk doorheen kan

c)

Ze een heel groot oppervlakte hebben en maar 1 cellaag dik zijn

11.

De allergie voor een huisstofmijt wordt veroorzaakt door

a)

de uitwerpselen van de huisstofmijt

b)

de huidschilfers van de huisstofmijt

c)

de pootjes van de huisstofmijt

12.

Bij hooikoorts is men allergisch voor het stuifmeel van bomen

a)

waar

b)

niet waar

13.

Een insect ademt via zijn mond

a)

waar

b)

niet waar

14.

Hoe heten de openingen aan de zijkant van het achterlijf van een rups?

a)

Tracheeën

b)

Stigma's

15.

Bij vissen zijn bij inademing:

a)

de bek open en de kieuwdeksels open

b)

de bek open en de kieuwdeksels dicht

c)

de bek dicht en de kieuwdeksels dicht

d)

de bek dicht en de kieuwdeksels open

16.

Wat is de formule van verbranding?

a)

Glucose + CO2 > O2 + H2O(water) + energie

b)

Glucose + O2 = CO2+ H2O(water) + energie

c)

Glucose + O2 > CO2+ H2O(water)+ energie

d)

Glucose + CO2 = O2 + H2O(water)+ energie

17.

Welke dieren zullen de meeste zuurstof nodig hebben als de temperatuur van het zeewater daalt van 20 naar 5 graden

a)

dolfijn,haai en walvis

b)

orka, dolfijn,walvis

c)

haai, dolfijn en orka

d)

haai, walvis en orka

18.

Wat verstaan we onder gaswisseling

a)

het uitwisselen van zuurstof en koolstofdioxide in de longblaasjes

b)

het uitwisselen van stikstof en zuurstof in de longblaasjes

c)

Het uitwisselen van stikstof en zuurstof tussen cellen en bloed

d)

het opnemen van zuurstof in het bloed

19.
Waar in het ademhalingstelsel tref je trilhaarepitheel aan?
a)
nr 5
b)
nr 7
c)
nr 8
d)
zowel 5, 7 als 8
20.
Welke ademhalingspieren zijn betrokken bij een normale inademing?
a)
middenrif en binnenste tussenribspieren
b)
middenrif en buitenste tussenribspieren
c)
binnenste en buitenste tussenribspieren
d)
geen spieren
21.
De grondstofwisseling van een muis en een slang worden met elkaar vergeleken. De temperatuur is 10 graden Celsius. wie heeft de hoogste grondstofwisseling? en waarom?
a)
de muis, omdat hij veel verbranding heeft
b)
de muis, omdat hij weinig verbranding heeft
c)
de slang omdat hij veel verbranding heeft
d)
de slang omdat hij weinig verbranding heeft
22.
Zoogdieren halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
23.
Vissen halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
24.
Insecten halen adem met
a)
longen
b)
kieuwen
c)
celmembraan
d)
tracheeën
25.
Reptielen halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
26.
Volwassen amfibieën halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
27.
Jonge amfibieën halen adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
28.
De vogel die hier zwemt haalt adem met
a)
longen
b)
huid
c)
huid en longen
d)
kieuwen
29.
Deze afbeelding is een schematische tekening van
a)
een longlaasje
b)
een luchttakje
c)
een bronchie
d)
de luchtpijp
30.
Nummer 2 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
31.
Nummer 7 is
a)
de luchtpijp
b)
een bronchie
c)
een longblaasje
d)
de huig
32.
In de animatie zie je 
a)
de buik- of middenrifademhaling
b)
de borstademhaling
c)
allebei
d)
geen van beide
33.
Het gas dat bedoelt wordt met pijl A heet
a)
zuurstof
b)
koolstofdioxide
c)
stikstof
d)
edelgassen
34.
Welke doorsnede hoort bij een astma-aanval
a)
de linker
b)
de rechter
c)
allebei
d)
geen van twee
35.
Nummer 5 wijst naar
a)
het reukslijmvlies
b)
de reukzintuigcellen
c)
de reukzenuw
d)
de neusschelpen
36.
Nummer 4 wijst naar
a)
het reukslijmvlies
b)
de reukzintuigcellen
c)
de reukzenuw
d)
de neusschelpen
37.
Inademen door je neus is beter dan door je mond omdat
a)
de lucht droger wordt
b)
de lucht af kan koelen
c)
de lucht schoner wordt
d)
je je dan niet snel verslikt
38.
In de lucht die we uitademen zit
a)
meer zuurstof
b)
meer koolstofdioxide
c)
minder koolstofdioxide
d)
minder stikstof
39.
Wat de de juiste stand voor slikken?
a)
huig in stand 1, strotklepje in stand 1
b)
huig in stand 1, strotklepje in stand 2
c)
huig in stand 2, strotklepje in stand 1
d)
huig in stand 2, strotklepje in stand 2
40.
Hoe heet deel B?
a)
huig
b)
strotteklepje
c)
slokdarm
d)
luchtpijp
41.

Ingeademde lucht bevat meer Co2 dan uitgeademde lucht

a)

Juist

b)

Onjuist

c)

Ze bevatten evenveel Co2

42.

Wat is de indicator van Co2?

a)

Kalkwater

b)

Zuurstof

c)

Een gloeiend houtje

d)

Uitgeademde lucht

43.

Welke stoffen komen meer voor in uitgeademde lucht in vergelijking tot ingeademde lucht?

a)

Waterdamp

b)

Zuurstof

c)

Koolstofdioxide

d)

Stikstof

44.

Tijdens welke bezigheid vindt de meeste verbanding plaats?

a)

Slapen

b)

Fietsen

c)

Rustig lopen

d)

Wedstrijd sprinten

45.

In welke cellen vindt verbranding plaats?

a)

Alle cellen van organismen

b)

Alleen de cellen die actief bezig zijn

c)

In alle cellen vindt overdag verbranding plaats

46.

Welke voordelen heeft door je neus inademen? (meerdere antwoorden)

a)

De lucht is warmer

b)

De lucht is vochtiger

c)

De lucht is beter gezuiverd

d)

Je kan beter ruiken

e)

De lucht bevat minder schadelijke gassen

47.

9 Wat is waar?

a)

In ingeademde lucht zit meer water dan in uitgeademde lucht

b)

In Ingeademde lucht zit meer zuurstof dan in uitgeademde lucht

c)

In ingeademde lucht zit meer stikstof dan in uitgeademde lucht

d)

In ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan in uitgeademde lucht.

48.

Wat geven de longblaasjes af aan het bloed?

a)

Waterdamp

b)

zuurstof

c)

koolstofdioxide

d)

stikstof