Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Formatieve eindtoets H2 Toekomst van NL 3 havo

Total questions: 33

Worksheet time: 17mins

Name
Class
Date
1.

Welk begrip staat hier uitgelegd?

'Het aantal mensen van de niet-productieve bevolking als percentage van de productieve bevolking' (LD1, O)

a)

Demografische krimp

b)

Demografische druk

c)

Demografisch transitiemodel

d)

Groene druk

2.

Welk begrip staat hier omschreven?

'Het gemiddeld aantal kinderen dat een vrouw voortbrengt' (LD1, O)

a)

Geboorteoverschot

b)

Levensverwachting

c)

Vruchtbaarheidscijfer

d)

Kindertal

3.

Wat wordt bedoeld met filedruk? (LD1, O)

a)

de lengte van de file x tijdsduur

b)

het aantal auto's in de file x het aantal rijstroken

c)

de lengte van de file

d)

tijdsduur van de file x het aantal auto's in de file

4.

De compacte stad is ........... (LD 23, O)

a)

Een kleine stad die wordt gebouwd

b)

Uitbreiding van woonwijken aan de randen van de stad met met woningen en voorzieningen

c)

Het slopen van woonwijken aan de randen van de stad met als doel de stad kleiner te maken

d)

Uitbreiding van woonwijken aan de randen van dorpen, zodat deze kleine (compacte) steden worden

5.

De natuurlijke bevolkingsgroei wordt bepaald door ... (LD 2, O)

a)

immigratie

b)

emigratie

c)

geboorte

d)

sterfte

6.

Door urbanisatie van jonge gezinnen is er demografische ...... op het platteland (LD12a, O)

a)

krimp

b)

groei

7.

Wat zijn 2 klimatologische oorzaken van de dreiging van water in Nederland? (LD 24, O)

a)

daling zeespiegel door smeltende ijskappen

b)

buien worden heftiger

c)

langere perioden van droogte

d)

bodemdaling

8.

Welke oorzaken verklaren de afname van het aantal kinderen per vrouw in Nederland? (LD 3, O)

a)

Invoering van de pil

b)

Toename van de levensverwachting

c)

Minder mensen zijn gelovig, dus minder invloed van de kerk

d)

Afname van de Nederlandse bevolking

9.

Welke 3 oorzaken zijn er voor de vergrijzing in Nederland? (LD 4, O)

a)

Daling van het aantal kinderen. Minder kinderen betekent meer ouderen (procentueel gezien).

b)

Vanaf 2010 zijn de eerste babyboomers met pensioen gegaan.

c)

Toegenomen levensverwachting.

d)

Stijging vruchtbaarheidscijfer.

10.

Welke 3 oorzaken zijn er voor de toename van de mobiliteit in Nederland vanaf 1960? (LD 21, O,B)

a)

Toegenomen welvaart

b)

Natuurgebieden raken versnipperd

c)

Er is meer milieuvervuiling

d)

Na 1960 gingen meer mensen van de stad naar het platteland om daar te wonen (suburbanisatie)

e)

Toename van het aantal vrije dagen

11.

Wat zijn 2 gevolgen van de toegenomen mobiliteit in Nederland? (LD 16, O)

a)

Meer mensen gingen van de stad naar het platteland om daar te wonen (suburbanisatie)

b)

Natuurgebieden raken versnipperd

c)

Milieuvervuiling is toegenomen

d)

Door meer welvaart, konden meer mensen een auto kopen

12.

Waardoor is de uitstoot van stikstof afgenomen in Nederland? (LD 17, O)

a)

invoering van de katalysator

b)

invoering van de roetfilter

c)

Er zijn meer auto's gekomen

d)

er zijn naast meer auto's ook meer bussen en vrachtwagens bijgekomen

13.

Door kindvriendelijke maatregelen probeert de overheid jonge ouders te stimuleren om meer kinderen te krijgen. (LD 11, O)

a)

juist

b)

onjuist

14.

Alleen kindvriendelijke maatregelen zorgt ervoor dat de vergrijzing afneemt (LD 9, O)

a)

juist

b)

onjuist

15.

De demografische krimp verloopt in heel Nederland gelijk (LD 12, O)

a)

juist

b)

onjuist

16.

Tussen 2025 en 2040 zal er een sterfteoverschot komen. Dit komt omdat de babyboom-generatie uitsterft. (LD 4, B)

a)

juist

b)

onjuist

17.

In welke twee regio's in Nederland wordt veel demografische krimp verwacht? (LD 12a, B)

a)

Randstad

b)

Zuid-Limburg

c)

Noordoost-Groningen

d)

Utrecht

18.

Welk antwoord hoort bij de foto? (LD1 B)

a)

Ruimte voor de Rivier

b)

Deltawerken

c)

Verzilting

d)

Zandsuppletie

19.

Welke maatregel hoort bij bovenstaande afbeelding? (LD 22, B)

a)

Efficiënt gebruik maken van bestaande wegen

b)

Aanleg van nieuwe wegen

c)

Gedrag van de werkgever veranderen

d)

Openbaar vervoer aantrekkelijker maken

20.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij fase 1? (LD 8, B)

a)
b)
c)
21.

Bekijk het demografisch transitiemodel. In fase 1 t/m 4 is er sprake van ... (LD 8, B)

a)

sterfteoverschot

b)

geboorteoverschot

c)

vertrekoverschot

d)

vestigingsoverschot

22.

In deze fase is er slechte medische zorg en kennis over hygiëne. (LD 8b, B)

a)

fase 1

b)

fase 2

c)

fase 3

d)

fase 4

23.

Je ziet hier een voorbeeld van ... (LD 14, B)

a)

sloop

b)

nieuwbouw

c)

renovatie

d)

sanering

24.

Welke uitspraak is juist over de spitsstrook? (LD 22, B)

a)

Bedoeld om automobilisten te helpen de snelste route te vinden

b)

Vaak een tijdelijke oplossing

c)

Bedoeld om mensen dichterbij hun werk te laten wonen

d)

Bedoeld om voor een extra rijbaan te zorgen in de spits

25.

Welke bevolkingsdiagram laat ontgroening zien? (LD 7, I)

a)
b)
c)
26.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij een land met een hoog geboorte- en sterftecijfer? (LD 7, I)

a)
b)
c)
27.

Welke bevolkingsdiagram hoort bij Nederland in 1950? (LD 7, T)

a)
b)
c)
d)
28.

In een stad is door demografische krimp flats leeg komen te staan. De gemeente sloopt deze flats en plaatst daar eengezinswoningen voor terug. Wat gebeurd er met de woningdichtheid? (LD 13,14, I)

a)

Die neemt toe

b)

Die neemt af

c)

Die blijft gelijk

29.

Welke 2 uitspraken zijn juist over bovenstaande foto? (LD 17, T)

a)

Je ziet hier een maatregel om versnippering van natuurgebieden tegen te gaan.

b)

Je ziet hier een maatregel om de uitstoot van stikstof tegen te gaan.

c)

Je ziet hier een onderdeel van de EHS.

d)

Je ziet hier een maatregel die ervoor heeft gezorgd dat de filedruk is toegenomen

30.

Welke twee problemen op de woningmarkt ontstaat er in de regio's met demografische groei? (LD 12,13, I)

a)

de werkloosheid neemt af.

b)

Stijgende huizenprijzen

c)

Dalende huizenprijzen

d)

schaarste van beschikbare woningen

e)

overschot aan beschikbare woningen

31.

Welke uitspraak is juist bij een dalend vruchtbaarheidscijfer? (LD 3,5, I)

a)

Dalend vruchtbaarheidscijfer zorgt voor een daling van de grijze druk in de toekomst

b)

Dalend vruchtbaarheidscijfer zorgt voor een daling van de groene druk

c)

Dalend vruchtbaarheidscijfer heeft geen invloed op de groene druk.

d)

Dalend vruchtbaarheidscijfer zorgt voor een snellere groei van de bevolking

32.

Welke 2 uitspraken over forensisme zijn juist? (LD 18, I)

a)

Door suburbanisatie is het forensisme afgenomen

b)

Door suburbanisatie is het forensisme toegenomen

c)

Door forensisme is het vrijetijdsverkeer toegenomen

d)

Door forensisme is het woon-werkverkeer toegenomen

33.

Welke maatregel vergroot de afvoer van water in een rivier? (LD 25b I)

a)
b)
c)
d)