wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test Hoofdstuk 3 en 4 Havo 1

Total questions: 42

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de fase-overgang van vast naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Bevriezen

c)

Condenseren

d)

Rijpen

2.

Wat is de fase-overgang van gas naar vloeibaar?

a)

Smelten

b)

Stollen

c)

Condenseren

d)

Vervluchtigen

3.

Wat is rijpen?

a)

Van vast naar gas

b)

Van gas naar vast

c)

Van vloeibaar naar vast

d)

Van gas naar vloeibaar

4.

Wat gebeurt er als het regenwater op straat verdampt?

4 lines
5.

Welke fase-overgang is er als mijn trui hangt te drogen aan de waslijn?

a)

Condenseren

b)

Stollen

c)

Verdampen

d)

Vervluchtigen

6.

Ik heb een natte hand nadat ik eerst een ijsblokje had. Wat is er gebeurd?

a)

Het ijs is gestolt

b)

Het ijs is gesmolten

c)

Het ijs is bevroren

d)

Het ijs is vervluchtigt

7.
Welk punt hoort niet bij het deeltjesmodel?
a)
Iedere stof is opgebouwd uit hele kleine deeltjes, moleculen.
b)
Elke stof heeft zijn eigen soort moleculen.
c)
Moleculen hebben altijd dezelfde snelheid.
d)
Moleculen trekken elkaar aan.
8.
Wat voor soort verschijnsel is een faseverandering?
a)
scheikundig
b)
natuurkundig
c)
biologisch
9.
In welke fase zijn de aantrekkingskrachten het grootst?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
d)
alle fasen
10.
Als je water kookt, gaat het verdampen. Wat gebeurt er dan met de snelheid van de moleculen?
a)
De moleculen gaan sneller bewegen.
b)
De moleculen gaan langzamer bewegen.
c)
De snelheid blijft gelijk.
11.
Wat gebeurt er met de aantrekkingskracht tussen de moleculen van water als het bevriest?
a)
De aantrekkingskracht wordt groter.
b)
De aantrekkingskracht wordt kleiner.
c)
De aantrekkingskracht blijft gelijk.
12.
Een stuk zeep ruikt vaak lekker. In welke fase is een stof die je ruikt?
a)
vaste fase
b)
vloeibare fase
c)
gasfase
13.
Bij welke faseovergang gaan de moleculen sneller bewegen?
a)
stollen
b)
rijpen
c)
verdampen
d)
condenseren
14.
Bij welke faseovergang worden de aantrekkingskrachten tussen de moleculen groter?
a)
smelten
b)
condenseren
c)
verdampen
d)
vervluchten/sublimeren
15.
de eenheid van temperatuur is
a)
meter
b)
graad celcius
c)
calorie
d)
gram
16.
Je lichaamstemperatuur is gemiddeld
a)
35 graad celcius
b)
26 graad celcius
c)
37 graad celcius
d)
42 graad celcius
17.
de temperatuur van smeltend ijs is
a)
veranderlijk
b)
constant 0 graad celcius
c)
constant 0 fahrenheit
d)
constand 100 graad celcius
18.
kokend water heeft een temperatuur van
a)
0 graad celcius
b)
10 graad celcius
c)
100 graad celcius
d)
100 fahrenheit
19.
vloeistoffen zetten meer uit dan vaste stoffen
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
20.
Gassen kunnen ook uit zetten
a)
waar
b)
niet waar
c)
maakt niet uit
21.
lees de thermometer af die op de afbeelding staat
a)
20 graad celcius
b)
22 graad celcius
c)
37 graad celcius
d)
32 graad celcius
22.

Op de afbeelding is een .... te zien.

a)

Vloeistof thermometer

b)

Bolletjes thermometer

c)

Thermostaat

d)

Digitale thermometer

23.

bij verwarming zetten de meeste stoffen uit

a)

waar

b)

niet waar

24.

als een voorwerp uitzet, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

25.

als een voorwerp krimpt, wordt het volume groter.

a)

soms

b)

vaak

c)

altijd

d)

nooit

26.

lucht krimpt als het afkoelt

a)

waar

b)

niet waar

27.

de temperatuur meet je met een thermometer

a)

waar

b)

niet waar

28.

Hoeveel graden is het hier?

a)

27°C

b)

-27°C

c)

10°C

29.

hoeveel graden is het vriespunt?

a)

100°C

b)

3°C

c)

0°C

d)

-10°C

30.

wat doet het water hier?

a)

bevriezen

b)

verdampen

31.

een vloeistofthermometer bestaat uit

a)

een vloeistofreservoir

b)

een capillair

c)

een schaalverdeling

d)

een ijkpunt

32.

0,1 Bar is gelijk aan

a)

1.000 Pa

b)

10.000 Pa

c)

100.000 Pa

d)

1000.000 Pa

33.

Met wat voor meter kun je de luchtdruk meten?

a)

Manometer

b)

Barometer

c)

Micrometer

d)

Anemometer

34.

De eenheid van druk is

a)

Pa

b)

ºC

c)

Liter/m2

d)

Newton

35.

1 mbar =

a)

1 Pa

b)

10 Pa

c)

100 Pa

d)

1000 Pa

36.

We gaan in een luchtballon om hoog en meten de luchtdruk, we zien dan de de druk

a)

stijgt

b)

gelijk blijft

c)

daalt

d)

0 mbar is omdat we met de lucht omhoog gaan

37.

De druk van de lucht in je longen is gemiddeld ... de atmosferische druk.

a)

groter dan

b)

even groot als

c)

kleiner dan

38.

Welk gas heb ik nodig bij verbranding?

a)

koolstofdioxide

b)

zuurstof

c)

stikstof

d)

geen van de 3 genoemde

39.
Wat is bij deze verbranding de brandstof?
a)
de vlam
b)
het kaarsvet
c)
de zuurstof 
40.
Welke 2 stoffen komen altijd vrij bij de verbranding van een kaars?
a)
zuurstof en water 
b)
kaarsvet en koolstofdioxide
c)
water en koolstofdioxide
d)
water en zuurstof 
water en kaarsvet
41.
Waarom gaat het vlammetje van de kaars uit?
a)
De koolstofdioxide in het potje raakt op
b)
De zuurstof in het potje raakt op
c)
Het lontje is te kort
d)
Het kaarsvet raakt op
42.

Wat is de juiste samenstelling van Lucht?

a)

Stikstof: 78% Zuurstof: 21% Koolstofdioxide: 0,03%

b)

Stikstof: 0,03% Zuurstof: 78% Koolstofdioxide: 21%

c)

Stikstof: 21% Zuurstof: 0,03% Koolstofdioxide: 78%